Koloniale vervreemding. Reflecties over Chroniques fidèles van Abdenour Zahzah

Door Sibo Kanobana, op Fri Aug 29 2025 06:45:00 GMT+0000

In 2025 is het honderd jaar geleden dat filosoof, psychiater en antikololoniaal revolutionair Frantz Fanon geboren werd. Over de drie jaren dat hij aan het hoofd stond van een afdeling in een psychiatrisch ziekenhuis in het gekoloniseerde Algerije maakte de Algerijnse regisseur Abdenour Zahzah een fictiefilm naar waargebeurde feiten: Chroniques fidèles survenues au siècle dernier à l’hôpital psychiatrique Blida-Joinville, au temps où le Docteur Frantz Fanon était chef de la cinquième division entre 1953 et 1956. Naar aanleiding van de film schreef Sibo Kanobana dit essay over zijn band met Fanon.

De eerste keer dat ik Zwarte huid, witte maskers (1952) las, het debuut van de Frans-Martinikaanse dekoloniale denker Frantz Fanon (1925-1961), was ik nog een tiener. Zestien, misschien zeventien jaar oud. Ik herinner me nog levendig hoe dat boek me diep raakte. Niet omdat ik alles begreep – verre van – maar omdat ik voor het eerst woorden las voor gevoelens en ervaringen die ik altijd had gekend, maar nooit had durven of kunnen benoemen. Fanon gaf taal aan een ongemak dat ik tot dan toe vooral had proberen te neutraliseren, met een wit masker dat ik als zwarte persoon opzette om niet te storen, om niet te veel te zijn, om witheid niet te beangstigen.

Mijn band met Fanon is gegroeid. Ik las De verworpenen van de aarde (1961) voor het eerst tijdens mijn eerste jaar aan de universiteit, ik zal wel al negentien geweest zijn en ik las het in een oude, stoffige Nederlandse vertaling. Moeilijk, ondoordringbaar soms, maar fascinerend. Ik kon het echter nooit in één ruk lezen, ik moest het soms dagen of weken laten liggen om er vervolgens weer aan te beginnen. Het boek leek wel een waterval van woorden, ideeën, observaties, analyses, angsten en frustraties. Later herlas ik het in het Frans, in het Engels, en recent nog in de nieuwe Nederlandse vertaling van Joost Beerten – een werk waarvoor ik met plezier een recensie schreef. Elke keer opnieuw ontdekte ik lagen, inzichten, waarnemingen die me niet alleen intellectueel prikkelden, maar ook emotioneel en existentieel diep raakten.

Het gevoel van vervreemding is volgens mij net het onderwerp van Chroniques fidèles, in vorm én inhoud.

Fanon was psychiater, filosoof, revolutionair – maar bovenal een radicale humanist. Hij streed voor wat hij noemde ‘une nouvelle humanité’, een nieuwe, menselijke mens. Zijn werk vertrekt niet vanuit een simplistisch goed-tegen-kwaaddenken, maar vanuit de overtuiging dat het koloniale systeem iedereen ontmenselijkt. De gekoloniseerde natuurlijk het meest zichtbaar en het hardst – zij zijn degenen die psychisch én fysiek lijden, die gebroken worden, uitgebuit, onteigend, uitgesloten of zelfs uitgemoord – maar voor Fanon is het van belang om te benadrukken dat ook de kolonisator zijn menselijkheid verliest, op een andere manier, maar met niet te negeren consequenties voor ons mensbeeld. Fanon laat zien dat wie zich goed voelt in een koloniale orde, wie er zelfs van kan genieten, wellicht juist de échte zieke is. En dat wie psychisch lijdt onder de hypocrisie, de dubbele moraal, de superioriteitswaan en het geweld van koloniale structuren, misschien nog wel het meest gezond is. In die context verliest voor Fanon zowel de beul als de gefolterde zijn menselijkheid.

Beide zijden van het geweer

Het is precies deze gedachte – deze ontmenselijking van beide kanten – die, althans volgens mij, centraal staat in de film Chroniques fidèles survenues au siècle dernier à l’hôpital psychiatrique Blida-Joinville, au temps où le Docteur Frantz Fanon était chef de la cinquième division entre 1953 et 1956… of simpelweg: Chroniques fidèles, een Algerijnse productie uit 2024, geregisseerd door Abdenour Zahzah. De film speelt zich af in Algerije, begin jaren 1950, in een psychiatrisch ziekenhuis waar Fanon daadwerkelijk werkte, als hoofd van een afdeling. Het is geen documentaire, geen biopic. Het is een fictiefilm, gebaseerd op waargebeurde feiten, op notities, op observaties uit Fanons beroemde en bevreemdende boek De verworpenen van de aarde.

Wat deze film zo krachtig maakt, is dat hij weigert te kiezen voor een eendimensionaal perspectief. Op zich is het een opmerkelijk beeld dat een zwarte man uit Martinique in een Noord-Afrikaanse kolonie in de jaren 1950 samenwerkt als psychiater-arts met witte mannen, en dat hij net wordt aangewezen om de vleugel met Algerijnse mannen voor zijn rekening te nemen. We zien de Algerijnse patiënten, mensen die psychisch lijden onder een systeem dat hen niet alleen onderdrukt, maar ook hun identiteit, hun taal, hun menselijkheid probeert uit te wissen. We zien Fanon die de normen uitdaagt, niet alleen de koloniale normen, maar ook de normen van de psychiatrie. Je ziet hem letterlijk als iemand in de tussenruimte die niets anders kan dan de status quo ter discussie te stellen. En in die zin is deze film, als reflectie van een stukje uit Fanon zijn leven, een kritiek op hoe mentale gezondheidszorg wordt georganiseerd in een koloniale setting. Maar we zien ook de andere kant: de Franse kolonisator, zelfs de beul, de soldaat, de arts, die zelf psychisch desintegreert. Die in zijn privéleven steeds verder afglijdt. De koloniale ervaring vernietigt immers de menselijkheid aan beide zijden van het geweer.

Revolutie als de enige therapie, maar niet als eindpunt – Fanon was geen cynicus – wel als begin van iets nieuws.

Dat is geen nieuw idee. Aimé Césaire zei het al in zijn beroemde Discours sur le colonialisme (1950): ‘Een volk dat een ander volk koloniseert, koloniseert zichzelf.’ En James Baldwin, een andere denker die mij diep heeft beïnvloed, verwoordde het als volgt: ‘I imagine one of the reasons people cling to their hates so stubbornly is because they sense, once hate is gone, they will be forced to deal with pain.’ Haat als schild tegen het eigen lijden. Racisme als afweermechanisme versterkt zichzelf. Fanon zou eraan toevoegen: psychische vervreemding als product van een door en door ziek politiek en economisch systeem.

Chroniques fidèles is geen gemakkelijke film. Het is een taaie film. Niet alleen door het thema, maar ook door de vorm: de acteerprestaties lijken soms wel steriel, de dialogen gefragmenteerd, de sfeer bevreemdend. Alles lijkt wat off. Maar allicht is dat precies de bedoeling. De film toont immers een wereld die haar moreel kompas kwijt is, waar de gebruikelijke menselijke interacties niet meer werken, waar alles schijnbaar ontregeld is, maar tegelijk een wereld die van orde en zuiverheid is doordrongen, in strak afgelijnde zwart-wit beelden, alles is kraaknet, alles lijkt nieuw, het licht is scherp met grote contrasten, het wit is zuiver, de hemel is kraakhelder. Het doet denken aan wat ik tussen de regels meende te ontdekken toen ik Albert Camus’ L’Étranger (1942) of Paul Brondeels Ik blanke kaffer (1971) las, aan die ongemakkelijke vervreemding, een gewaarwording dat het kwaad niet schuilt in monsters, maar in gewone mensen die in een koloniale werkelijkheid hun oriëntatie kwijt zijn. Die gedesensibiliseerd zijn geraakt door een systeem dat geweld normaliseert en menselijkheid vervreemdt. Dat alles in een decor van wuivende palmbomen, felle zon, spierwitte gebouwen en vlekkeloze orde, een decor dat lijkt op een tropisch paradijs dat een misselijkmakende hel verbergt.

Het is in onze collectieve strijd tegen de steriele wereld dat we onze wederzijdse menselijkheid kunnen herwinnen.

Of ik denk aan Michael Fassbenders personage in 12 Years a Slave (2013), die gruweldaden pleegt en tegelijk worstelt met zijn gevoelens, zijn huwelijk, zijn zelfbeeld, met de gevoelens van liefde die hij in zich draagt en de pijn ontwijkt door zich te storten in de haat. Zo ook zien we in Chroniques fidèles een Franse politieagent die voor zijn werk ertoe komt mensen te slaan, te beschimpen en te folteren. Hij is niet het morele centrum van de film, maar hij wordt wél ontleed. Niet om te verontschuldigen, maar om te begrijpen wat het systeem met hem doet, hoe het hem gebruikt en met welke gevolgen van vervreemding voor alle betrokken partijen. En dat, nogmaals, zonder het lijden van de gekoloniseerden te relativeren. Fanon is daar duidelijk over: zij trekken altijd aan het kortste eind. Maar hij vraagt ons wel om te beseffen dat ook de kolonisator zichzelf ontmenselijkt. En dat, als we echt willen dekoloniseren, we niet anders kunnen dan ook dat feit aan te kijken.

Collectieve strijd

Toen ik de film voor het eerst zag, was ik op momenten in de war. Ik vroeg me af: is dit een goede film? Is dit wel ‘goede cinema’? Maar na afloop besefte ik dat het precies die bevreemding is die blijft hangen, die van deze film een beklijvende ervaring maakt. Dat gevoel van vervreemding is volgens mij net het onderwerp van de film, in vorm én inhoud. Want de koloniale wereld is vervreemdend, maakt ons kapot in een zoektocht naar orde en puurheid die ons allen van onze ziel berooft. Het is een wereld waarin geweld normaal is, waarin kinderen leren moorden, waarin de psychiater een revolutionair wordt, en de soldaat een getraumatiseerd mens die thuis alles wat hem lief is kapot maakt. Een ongevoelige wereld van zwart/witte zuiverheid en steriele normativiteit. Een wereld waarin je moet kiezen: de leugen blijven leven, of het systeem aanvallen – met alle risico’s van dien.

Frantz Fanon koos. Hoewel hij deel was van het systeem, als hoofdarts in een koloniale psychiatrisch ziekenhuis, maakte hij ook gebruik van zijn relatieve privileges om dat systeem te ontmantelen, zowel van binnenuit als van buitenuit: hij sloot zich namelijk aan bij de Algerijnse onafhankelijkheidsbeweging. Hij gebruikte zijn ziekenhuis als schuilplaats voor verzetsstrijders. Hij schreef, sprak, mobiliseerde. En hij toonde aan dat het niet het individu is dat ziek is, maar de maatschappij. De enige therapie? Revolutie. Maar niet als eindpunt – Fanon was geen cynicus – wel als begin van iets nieuws. Want het is in onze collectieve strijd tegen de steriele wereld dat we onze wederzijdse menselijkheid kunnen herwinnen, een strijd in waardigheid voor een nieuwe mens.

Dit essay is gebaseerd op de inleiding op de film die Sibo Kanobana gaf op 20 juni 2025 in Bozar, Brussel.