Schone Kunsten: het zelfportret van Kurt Van Eeghem

Klara-luisteraars weten dat Kurt Van Eeghem zich op hun zender graag laat kennen als een fijnproever van de schone kunsten. Nu is zijn kijk tussen twee kaften gegoten, Schone Kunsten geheten. Net als in zijn gelijknamige radioprogramma gidst Van Eeghem zijn publiek door een landschap waar leken soms moeilijk het verschil zien tussen schoonheid en brol-united. Voor hen biedt deze erudiete auteur zijn persoonlijke visie op al wat als kunst beschouwd wordt. Of is het vooral zijn visie op zichzelf?

In Schone Kunsten neemt Van Eeghem zijn lezer bij de hand en reist hij ermee van reuzen als Edvard Munch tot de boules de Berlin in bakkerij Teysen aan het Mechelseplein, via een toneelstuk van Dimitri Leue, rechtsomkeer naar de Hermitage, om dan langs de romans van Willem Frederik Hermans in Cinema Paradiso te belanden.

75_minervini_cover_schonekunsten.jpgWaar deze rondleiding ons wil brengen? Inleidend houdt Van Eeghem een pleidooi voor het kweken van kunstgevoeligheid in het algemeen onderwijs, in de vorm van een eerbetoon aan twee leraren die hemzelf ooit de middelen aanreikten om de wereld van de schone kunsten te verkennen. Hij noemt het verbleken van de oorspronkelijke betekenis van ‘humaniora’ jammer en schandalig. Men mag kinderen niet de kans ontzeggen om meer mens te worden: ‘Een kind moet leren denken, leren omgaan met de wereld, leren kijken, leren voelen. Het moet weten waar het vandaan komt en hoe daarover uiterst genuanceerd en in correcte bewoordingen kan worden gediscussieerd.’ Als programma voor Van Eeghems eigen verkenning in Schone Kunsten kan dat tellen. ‘Het is niet mijn bedoeling om te zeggen wat je moet bekijken, beleven of lezen. Wel wil ik duidelijk maken dat je er misschien een beter mens van wordt, opener, wijzer en attenter.’

Die intentie valt te begrijpen. Iedereen die zich onderdompelt in de kunst, overweegt vroeg of laat om anderen daarin mee te trekken. De opzet van dit boek is dan ook allesbehalve klinisch of academisch. Van Eeghem wil eerder besmetten dan bespreken. In Schone Kunsten vind je geen Deleuze, Saint-Beuve of Barthes die de kunst bezingen volgens eigen principes en poëtica, wel een door water dronken liefhebber van alles wat kunst is of zo wordt benoemd. Hij schrijft eerlijk en uit het hart, als een liefdesbrief aan zijn eigen esthetische ervaringen in verleden, heden en toekomst – door zijn favoriete kunstenaars willekeurig in lemma’s op te sommen.

Maar is dit vol te houden? Bijna als een credo postuleerde Van Eeghem in de inleiding: ‘genot is een gigantisch mobiliserende kracht’. Ik kan het niet laten hem van antwoord te dienen: nieuwsgierigheid lijkt mij veel méér te mobiliseren, en genot legt me lam. Ik ben nieuwsgierig naar wat u mij te vertellen heeft over uw favoriete kunstenaars en hun werk, en daarom zal ik lezen. Ik ben nieuwsgierig of de kunsten u tot een ontwikkeld mens kneedden, en of u kan bewijzen wat u in de inleiding beweert.

‘We zeiden niet veel’

Bijvoorbeeld over Michelangelo Buonarotti weet Van Eeghem weinig betekenisvol te melden. Na een korte biografie zwemt hij tegen de stroom in door te beweren dat hij de St. Pieters Basiliek nogal bombastisch en kitscherig vindt, maar dat hij wel een uur met opengevallen mond naar de Pièta van Michelangelo stond te kijken. Van Eeghem vraagt zich af waarom hij niet rond het beeldhouwwerk wandelen mocht – daar weet ik het antwoord op: omdat er ooit iemand Jezus’ tenen afbeitelde – en besluit dat Michelangelo slaagde in zijn bedoeling een even indrukwekkend werk te maken als de Laocoön in de Vaticaanse Musea. Volstaat dat? Door enkele proposities op een beeldhouwwerk te plakken, weet je lezer niet veel meer.

De eigen mening of mijmering van Van Eeghem primeert op de schone kunsten zelf.

Ook wanneer Van Eeghem een ode brengt aan de (zee)dijk, volgt zijn tekst een weinig interessante kronkel. Licht ironisch typeert hij eerst de dagjesmens – ‘met velen onder velen, als mieren een heerlijk dagje zee consumeren’ – om dan zijn eigen dagboek open te slaan. Ook Van Eeghem reed met zijn partner naar zee, maar vond de file er te veel aan en besloot onderweg te ontsnappen naar het platteland. Daar wandelden ze even, ‘we zeiden niet veel, af en toe iets doms’, om ’s avonds, wanneer de toeristische meute net als de zee wegebde, toch nog naar de kust te rijden – 'druk, jong, niet te geloven, gelukkig in de andere richting' – en langs het water te wandelen en vis te eten. Bedankt om dit te melden, Kurt. 

Niet alles is briljant of ongelooflijk in de wereld van Van Eeghem. Soms durft hij ook minder enthousiast te zijn. Zo kan hij het niet laten om de biografische film Amadeus kort – want geketend aan zijn eigen format – af te breken als historisch incorrect en verouderd. Maakt dat van Amadeus dan een slechte film? Voor Van Eeghem misschien wel, voor de lezer niet. Het lijkt wel of de auteur hier puur zijn gal wil spuwen, (in)pikkend op kleine details uit een film waarvan hij vergeet dat het ook in zijn geheel als kunstwerk geldig is. Dat gebeurt overigens wel vaker: de eigen mening of mijmering primeert op de schone kunsten zelf. Verdedigde Van Eeghem in zijn inleiding dat ‘wie niet twijfelt, nooit in de buurt van de waarheid komt’, dan lees je door zijn lemma’s juist verrassend weinig twijfel.

‘Het zijn dan ook mijn vrienden’

Volgens welk criterium werden alle kunstenaars, kunstwerken en plaatsen trouwens geselecteerd? Van Eeghem wil een persoonlijke visie doorvoeren, maar dat betekent niet dat je zijn keuzes niet beargumenteerd wil zien. Op zoek naar argumenten wordt de vraag ‘wat is dit boek?’ pregnanter dan de vraag wat het eigenlijk wil bereiken. Misschien beschouwt Van Eeghem zijn schrijverij als een ode aan zijn jeugd, waarin hij terugblikt op ontmoetingen en aanrakingen die hem diep troffen. Maar om die echt deelbaar en betekenisvol te maken, en niet te laten eindigen bij de tijdschriften naast het toilet, zou je meer poëticale visie op kunst willen lezen, voorbij louter persoonlijke smaak. Zo’n visie drukt zich in dit boek niet uit. Na zijn pleidooi voor een humaniora die goed ontwikkelde mensen kweekt – mensen die in correcte bewoordingen hun genuanceerde visies te kunnen uitspreiden – voelt dit nogal zuur. Van Eeghem schrijft wat hij minder goed, goed of fantastisch vindt, maar het waarom blijft steeds ver te zoeken.

75_minervini_bw_kurt_van_eeghem_1.pngEr schuilt een pijnlijke paradox in dit nostalgische terugblikken op het kunstlandschap- en onderwijs. De lezer voor wie dit boek geschreven is, is namelijk Van Eeghem zelf. Ook het onderwerp is niet de schone kunsten, maar van Eeghem zelf. Het gaat niet over de Pièta, maar over hoe Van Eeghem, op blijkbaar onverklaarbare wijze, een uur tegenover de Pièta stond, gefrustreerd dat hij er niet rond wandelen kon. Het gaat niet over Amadeus, maar over de voetnoot die Van Eeghem erop projecteert.

Een boek waarvan ik dacht dat het de poëtica van Van Eeghem zou uiteenzetten, blijkt niets meer dan een cocktail van kunstenaars, contacten, steden, cafés en humeuren te zijn. Zeker naar het einde toe doet Schone Kunsten meer en meer denken aan een kookboek der kunsten met een romanesk narratief en zinnen die het leestempo saboteren. ‘Juist, ja, ter zake dan maar.’ Als kunstliefhebber moet je even slikken bij de gedachte dat je toerist bent geworden in de geest van een minstreel. Die minstreel wil zijn persoonlijke ervaringen enthousiast als een sproeier in het midden van een dor gazon verspreiden, maar raakt eigenlijk geen groen.

Dit boek stelt zich immers nooit de vraag waarom de schone kunsten belangrijk kunnen zijn, en reduceert impliciet alle vormen van taal, materie of samenspel tot hedonisme en zelfs narcisme: in de wereld van Van Eeghem lijkt iets briljant te zijn omdat het briljant is. Dat kunnen ook mensen zijn, zoals cellist Steven Isserlis. In het stukje dat diens naam draagt, gaat het vooral over Van Eeghems eigen vriendschap met deze ‘onvoorstelbaar briljante cellist’ – naar aanleiding van een gezamenlijke repetitie met ook pianist Dénes Várjon, violist Henning Kraggerud en altvioliste Rachel Roberts. ‘Het werd een onvergetelijk weekend. Niet alleen omdat ik vier goede vrienden rijker ben, maar vooral omwille van de ervaring.’ Veelzeggend eindigt Van Eeghem dit stukje met de zin: ‘Ongelooflijk, maar ja, het zijn dan ook mijn vrienden.’ Het versterkt vooral het cliché dat ‘de kunst’ een clubje is van ‘ons kent ons’. En dat erin ingewijd raken, geen kwestie is van humaniora, maar van toegelaten worden.

Dubbel pijnlijk

‘Schone Kunsten is een welluidende uitnodiging’, schreef Van Eeghem in zijn inleiding. ‘Mijn enige wens is zo veel mogelijk mensen mee te nemen op mijn tocht.’ In populistische tijden waarin de kunst onder druk staat, heiligt het doel de middelen. Maar de middelen blijken schaars. De schone kunsten verdienen het niet te verzanden in anekdotiek, om zowel bij lezer als auteur het ene oor in en het andere oor uit te zoemen. Al deze lichte weetjes lijken zowat het tegendeel van wat Van Eeghem zo geapprecieerd moet hebben aan de twee leermeesters die hem ooit de passie voor de kunsten bijbrachten. Ze getuigen zeker van bevlogenheid, maar missen vaak fundering.

Lees je de lemma’s als een egotrip van Van Eeghem, dan maakt zijn ego niet waar wat het impliciet belooft.

Zo werpen al die lemma’s juist een dam op voor lezers die minder thuis zijn in alle gedropte namen: zij moeten de smaak van Van Eeghem maar aannemen, want hij doet ze zelden uit de doeken. Lees je de lemma’s informatief, dan lijkt mij, om heel eerlijk te zijn, een inhoudstafel met verwijzingen naar de juiste Wikipedia-pagina handiger. Lees je de lemma’s als een egotrip van Van Eeghem, dan maakt zijn ego niet waar wat het impliciet belooft.

Au fond is het simpel: dieper dan anekdotiek en niet-beargumenteerde smaak graaft Schone Kunsten niet. Dat maakt het dubbel pijnlijk: een boek dat het esthetisch gevoel van het brede publiek wil helpen verdiepen, dat van ons méér mens wil maken, blijkt in de praktijk beter te passen op het overvolle rek met mediapersoonlijkheden die hun persoonlijke wereld in beeld brengen om extra papier te helpen slijten. Is dat niet juist die vervlakking waar Van Eeghem zich in zijn inleiding zo druk om maakte? Misschien moesten we allemaal wat vaker boeken kopen die niet met zo’n persoonlijkheid uitpakken, die ook zonder zo’n merk iets te vertellen hebben. Of gewoon de ogen sluiten en zelf reizen.

 

'Schone Kunsten' van Kurt Van Eeghem is uitgegeven bij Polis (ISBN 978-94-6310-225-4).

Giuseppe Minervini studeerde filosofie en Westerse literatuur en publiceert verhalen in diverse literaire tijdschriften.

 

^ Terug naar boven
 

Reacties

Post new comment

The content of this field is kept private and will not be shown publicly.
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically.
  • No HTML tags allowed
  • Lines and paragraphs break automatically.

More information about formatting options

Als maatregel om geautomatiseerde spamrobotten tegen te gaan, vragen wij u het huidige jaar in te vullen. Op die manier kunnen we uw bericht onderscheiden van spam.
By submitting this form, you accept the Mollom privacy policy.