Wat is Vlaamse cultuurpolitiek? De derde Tuesday Talk in vijf dilemma’s

Door redactie rekto:verso, op Fri May 22 2020 07:05:00 GMT+0000

Als gevolg van de coronacrisis staat de cultuursector voor cruciale maanden. En dus faciliteren rekto:verso, Kunstenpunt en State of the Arts elke dinsdagavond een online debat rond een prangende vraag. Voor onze derde Tuesday Talk op 19 mei luidde die vraag: wat is Vlaamse cultuurpolitiek? We vatten de belangrijkste antwoorden voor u samen.

We lezen gretig boeken over de Groote Oorlog, gaan collectief naar Jan Van Eyck kijken en beroemen graag onze Vlaamse Golf in theater en mode. Toch blijft die Vlaamse identiteit in de kunsten nog altijd een vreemd taboe, stelt moderator Wouter Hillaert. Waarom wordt het opzet dat Minister van cultuur Jan Jambon in zowat elke beleidstekst uitspreekt – Vlaanderen doen stralen – eigenlijk met zoveel achterdocht bekeken? Zijn de plannen van Jambon misschien te klein voor onze grote geesten? Te veel op het verleden gericht voor onze hijgerige drang naar continue vernieuwing? Of bedreigen ze wel degelijk de artistieke autonomie? Wat kan en moet Vlaamse cultuurpolitiek nu eigenlijk inhouden?

In onze derde Tuesday Talk richtten we die vragen aan Kris Cuppens (theatermaker, docent LUCA Drama Leuven), Rachida Lamrabet (auteur), Joachim Pohlmann (schrijver, kabinetschef Cultuur Jan Jambon) en Philippe Van Cauteren (directeur S.M.A.K.). Bekijk hier hun gesprek of ontdek de vijf centrale dilemma’s in ons verslag.

1. Vlaamse grootsheid vs. verdeelde gemeenschap

In het Vlaamse regeerakkoord dat Jambon I begin oktober voorstelde, stond de marsrichting van het nieuwe cultuurbeleid voor het eerst zwart op wit. De openingsalinea schuwt de grote woorden niet: ‘Cultuur zit in het DNA van de Vlaming. (…) We maken van Vlaanderen een sterke en zelfzekere natie waar Vlamingen en bezoekers fier op zijn, met aandacht voor een rijke waaier aan culturele beleving. (…) Vlaanderen kan pas echt stralen als het ook cultureel straalt. De Vlaamse Meesters uit heden en verleden en in alle creatieve richtingen moeten het uithangbord worden van de grootsheid die Vlaanderen in zich heeft.’

Hoe evalueert het panel die blauwdruk van het nieuwe beleid?

‘Waar cultuur vroeger slechts de kruimels van het beleid kreeg, toont deze tekst met zijn torenhoge ambitie zich bewust van haar rol in het vormen van een identiteit en een gemeenschap’, stelt Philippe Van Cauteren. ‘Anderzijds zijn er dingen die me verontrusten. Een DNA impliceert een aangeboren eigenschap, die Vlamingen zou onderscheiden van anderen. Er wordt gesproken over Vlamingen en hun bezoekers, maar wie zijn dat dan? Zijn er dan alleen maar Vlaamse Meesters? En wat uit termen als ‘uithangbord’ en ‘stralen’ spreekt, is de complete instrumentalisering van kunst en elke denkbare culturele activiteit voor een hoger doel. Terwijl we de notie van kunst beter openplooien en elastisch maken naar dat wat ze in Vlaanderen ook werkelijk is. Dat is meer dan enkele meesters: in een samenleving met deze grote sociale ongelijkheid moeten we ook een nieuw humanisme, met waarden als kwetsbaarheid, binnenbrengen in onze cultuur.’

‘Ik heb mezelf altijd als een koppelteken beschouwd tussen een Vlaamsgezinde tendens en de kunsten.’

‘De toon die Jambon aanslaat, is misschien succesvol bij zijn achterban’, zegt Kris Cuppens, ‘maar waar ik pleitbezorger had kunnen zijn, maakt hij van mij zo een tegenstander. Ik heb mezelf altijd als een koppelteken beschouwd tussen een Vlaamsgezinde tendens en de kunsten: enerzijds wil ik het Vlaamse discours van zijn odium ontdoen, anderzijds deel ik niet de alertheid in culturele kringen voor alles wat Vlaams is. Ik verwijt de beide partijen dat ze niet bereid zijn om naar elkaar te luisteren. Maar bepaalde woorden in dit discours schrikken mij zozeer af dat ik niet meer verder kan kijken naar de inhoud. Nu is zo’n grote tweespalt ontstaan, dat ik als koppelteken in de kloof daartussen dreig te vallen.’

‘Ik vind het vreemd dat het regionalisme in Vlaanderen altijd botst met een progressieve gedachtegang’, vervolgt Cuppens. ‘De subsidiariteit en inspraak die de Volksunie ooit aanhing, zijn in dit conservatieve liberale discours weggevaagd. Nu lijkt de richting die we uitgaan van bovenaf opgelegd, met een toon die samenwerking verhindert. Vanuit een Vlaamsgezindheid wil ik, als leraar en kunstenaar, net mensen optillen. Nu vallen mensen uit de boot en dat maakt me kwaad. Het is verschrikkelijk dat wie een gemeenschap wil vormen die gemeenschap uit elkaar jaagt.’

‘Hoewel ik zelf meeschreef aan de tekst, vind ik die term DNA niet zo passend, want ze verraadt een bloedlijn. De woorden “natie” en “grootsheid” benadrukken we wel heel bewust.’

Joachim Pohlmann kan de kritiek op de aangeslagen toon wel volgen. ‘Hoewel ik zelf meeschreef aan de tekst, vind ik die term DNA niet zo passend, want ze verraadt een bloedlijn. De woorden “natie” en “grootsheid” benadrukken we wel heel bewust. Voor het huidige conflict zijn trouwens veel historische verklaringen. Waar de kunsten en de Vlaamse beweging ooit verstrengeld waren in de verovering van een eigen taal en symboliek, begonnen die sporen na de Tweede Wereldoorlog te divergeren. De kunst ging de nadruk leggen op het individu, wat het nationalisme, dat vanuit de gemeenschap vertrekt, moeilijk kan volgen. Binnen het nationalisme werden dan weer stromingen dominant die niet tot voorbeeld strekken, waartegen de kunsten zich verzetten. Dan is er nog het functionalisme, eigen aan elk beleid, dat niet altijd strookt met de verwachtingen van de kunsten. Zo zijn we in een loopgravenoorlog beland die aan de beide kanten in gemeenplaatsen verzandt.’

2. Diversiteit vs. conformiteit

Wouter Hillaert schotelt het panel een tweede tekstpassage voor, deze keer uit de Visienota Kunsten. Daar is sprake van ‘tendensen die ervoor zorgen dat het oprechte streven naar een zo groot mogelijke diversiteit en inclusiviteit juist resulteert in het tegendeel, in een evolutie naar meer conformiteit en exclusiviteit.’ Hoe leest Rachida Lamrabet, die via het traject Scan & Do de inclusiviteit bij cultuurorganisaties wil stimuleren, die zin?

‘Inclusiviteit wordt in de Visienota Kunsten toch weer geproblematiseerd, alsof ze tot problemen zou leiden en censuur inhoudt, of zelfcensuur in het geval van politieke correctheid.’

‘Inclusiviteit wordt hier toch weer geproblematiseerd’, zegt de auteur, ‘alsof ze tot problemen zou leiden en censuur inhoudt, of zelfcensuur in het geval van politieke correctheid. Volgens mij komt dat omdat een dominante groep het gewoon is om zichzelf te horen praten zonder tegenstem. Vandaag zie je dat minderheden hun stem verheffen, dat het not done wordt om over hen in bepaalde terminologieën te spreken, of de ander in kunst op een bepaalde manier te verbeelden. Het privilege om alleen een podium te bekleden brokkelt af, en daar weet men geen blijf mee. Dus dan volgt altijd de reflex: dit is onze plek, dit is ons huis, en wij moeten het hier voor het zeggen hebben. In structureel racisme is de dominante groep deel van het probleem: zo’n spiegel is niet zo aangenaam om naar te kijken.’

Pohlmann kan Lamrabet gedeeltelijk volgen. ‘Een heronderhandeling van de identiteit is nodig, en zoiets gaat gepaard met destabiliserende shockeffecten. Maar we moeten uitkijken dat we bij die terechte tendensen niet vervallen in het andere uiterste. In zijn Frans Kellendonklezing in februari vroeg Arjen van Veelen zich af of hij zich als heteroseksueel wel nog over de homoseksuele Kellendonk mocht uitspreken. Eens je zulke beperkingen gaat opleggen, raak je aan de essentie van kunst: dat we ons kunnen verplaatsen in het anders-zijn. Dat mogen we niet verliezen.’

3. Dynamische canon vs. dwingend instrument

Het moeten zowat de meest spraakmakende ankerpunten zijn van de cultuurvisie van N-VA: de Vlaamse canon die ze in het onderwijs wil implementeren en een nieuw museum van Vlaanderen.

‘De Vlaamse canon is effectief een instrument om aan gemeenschapsvorming te doen’, legt Pohlmann uit, ‘maar interpreteer dat niet te eng. Identiteit van overheidswege opleggen werkt niet, net zoals wij kunstenaars niet zeggen wat ze moeten doen. Identiteit is dynamisch, maar een canon kan het debat daarover wel mogelijk maken. Zie het als een roadmap op Vlaanderen. Het museum van Vlaanderen kan dan weer een middel zijn om wat vroeger, nu en later aan kunst is in Vlaanderen, onder te brengen in een open ruimte. Om wat wij vandaag hebben op een hoogtechnologische manier te kunnen openstellen aan volgende generaties.’

‘De Vlaamse canon is effectief een instrument om aan gemeenschapsvorming te doen, maar interpreteer dat niet te eng. Identiteit van overheidswege opleggen werkt niet.’

‘Als je kunst wil inzetten als gemeenschapsvormend instrument: over welke gemeenschap gaat dat dan?’, vraagt Rachida Lamrabet. ‘Op basis van de ideologische achtergrond kan je maar vaststellen dat het gaat over een welbepaalde identiteit die hier gepromoot wordt: de Vlaams-nationalistische. Hoe zullen andere stemmen en visies op de wereld een plaats krijgen binnen het publieke domein? Alles wat niet aan de norm beantwoordt, dreigt hier teruggeduwd te worden in de privésfeer.’

‘Als je kunst wil inzetten als gemeenschapsvormend instrument: over welke gemeenschap gaat dat dan?’, vraagt Rachida Lamrabet.

‘Een Vlaamse canon is an sich niet problematisch’, denkt Kris Cuppens, ‘zolang ze niet alleen verheerlijkt, maar ook negatieve facetten aanraakt, zoals de oorlogsperiode.’ Van Cauteren erkent die gevoeligheid. ‘Onze uitdaging is net om een canon die altijd gecreëerd is, uit te rafelen en een werkelijke vertegenwoordiging op te zoeken. Herleid ze niet tot een pakket dat dienstbaar is voor één bepaalde periode, want een canon reflecteert een dominante visie op kunst en maatschappij, getuige daarvan het overwicht aan mannelijke kunstenaars in museale collecties. Laten we daarom een dialoog opzetten met het kabinet over wat het betekent om bijvoorbeeld een museum te runnen of acteur te zijn. In plaats van te denken dat een kunstwerk aan bepaalde standaarden moet beantwoorden, zonder daarbij de notie van experiment te omarmen.’

‘In een museum van Vlaanderen is iemand als Luc Tuymans incontournable, maar die kwam zijn Ultima voor Culturele Verdienste niet in ontvangst nemen.’

Ook de motivatie achter het museumplan kan op weinig begrip rekenen bij Van Cauteren. ‘Zo’n project is toch overbodig, want alle Vlaamse musea vormen toch al het museum van Vlaanderen? Laat ons het woord ‘excelleren’ dus eerst toepassen op de huidige structuren en musea. Bovendien zul je goede gesprekken moeten opzetten om ook de Vlaamse kunstenaars te engageren. In een museum van Vlaanderen is iemand als Luc Tuymans incontournable, maar die kwam zijn Ultima voor Culturele Verdienste niet in ontvangst nemen.’

4. Stadslabo vs. citymarketing

Een ander stokpaardje van het beleid van Jan Jambon is internationalisering. Zo zouden in de toekomst internationale kwaliteitsnormen worden opgelegd als criteria voor subsidiëring. Vlaanderen wil stralen in het buitenland, werpt Wouter Hillaert op, maar laat zich anderzijds vaak kritisch uit voor kosmopolitisme. Zit daar een tegenstelling?

'Ik zie geen probleem in nationbranding of citymarketing. Maar het mag niet in ideologisch-politiek vaarwater terechtkomen, waarbij we inhoudelijke criteria zouden opleggen.’

‘Het kosmopolitische idee dat we allemaal wereldburgers zijn is in abstracto mooi, maar heeft in de realiteit geen praktische basis’, antwoordt Pohlmann. ‘Ik geloof wel heel erg in internationalisering. Daarbij willen we de kunsten niet voor een Vlaams-nationalistisch project gebruiken. Maar wat we hier aan kunsten produceren en aan erfgoed bezitten: daarmee kunnen we wel uitpakken om Vlaanderen op de kaart te zetten. Ik zie geen probleem in nationbranding of citymarketing. Andere landen doen het ook. Maar het mag niet in ideologisch-politiek vaarwater terechtkomen, waarbij we inhoudelijke criteria zouden opleggen.’

‘Met S.M.A.K. proberen we altijd op twee benen te bewegen’, zegt Van Cauteren. ‘We zijn een museum in een provinciestad, met de schaal van een stadslaboratorium, maar met een verankering in de hedendaagse kunstwereld. Er is niets mis mee om je grote trots uit te dragen, maar het gevaar met branding en marketing is dat je enkel de gemakkelijke dingen uitdraagt – zoals Rubens, Jordaens, Van Eyck. Maar die meesters kunnen zo groot worden dat hun schaduw de bloei van anderen verhindert. Laat ons vooral proberen om het reliëf in onze expressies en creaties als geheel te behouden.’

‘Het mag inderdaad niet de bedoeling zijn met om alle evergreens de baan op te gaan’, nuanceert Pohlmann. ‘Het kunnen wel gateways zijn om ook andere meesters te ontdekken, in de brede betekenis van het woord. Ze kunnen een instrument zijn om een platform te bieden aan wat niet onmiddellijk in het oog springt. Vlaanderen heeft een rijke traditie, maar ook een vibrerend, dynamisch landschap. Het één sluit het ander niet uit, maar het één kan het ander wel meenemen.’

5. Ruimte geven vs. koers bepalen

Over bloeien gesproken: opvallend vaak worden de Vlaamse kunsten vergeleken een ‘veld’ met zijn eigen ecosysteem. Moet je die biodiversiteit als beleid volgen en faciliteren of bepaal je zelf welke planten het meeste zorg verdienen? Dat is nog zo’n spanning binnen het cultuurbeleid. ‘Men probeert de hand aan die ploeg te slaan, maar die ploeg ook aan te sturen, denkt Kris Cuppens. ‘Dat wij kunnen spreken over een Vlaamse uitstraling, komt omdat er toen wél vertrouwen was in de poortwachters om die vrije ruimte te organiseren.’

‘Bruggen bouwen is een centraal kenmerk van de Vlaamse culturele rijkdom. Hier kun je een koppelteken maken tussen de plaatselijke balletschool en Anne Teresa De Keersmaecker, tussen een amateurtoneel en NTGent. Die lijnen zijn in Vlaanderen getrokken: het duurt jaren vooraleer je ze hebt opgebouwd, maar in één klap kun je ze snoeien.’ En voor dat snoeiwerk vreest Cuppens: ‘Door het aansturen en aftekenen van die bewegingsruimte smoor je in de kiem waarmee je straks mee wil uitpakken. De focus op het verleden suggereert dat die natie waarvan sprake nog niet volwassen is en geen vertrouwen heeft in wat de toekomst zou kunnen brengen.’

‘Instrumentalisering is niet onze bedoeling’, benadrukt Pohlmann. ‘In essentie blijft ons beleid marktcorrigerend, al leggen we vanuit onze politieke overtuiging natuurlijk eigen accenten. Als we naar het buitenland gaan en we kunnen met onze topkunst uitpakken, waarom zouden we dat niet doen?’

‘Vertrouw in de kracht van de heel complexe samenleving die Vlaanderen is, zodat je ruimte kunt creëren voor kunstenaars om zich te ontplooien in autonomie.’

‘Aanvaard dat vernieuwing vaak niet komt van gevestigde waarden, dat je niet altijd naar het verleden moet kijken om vooruit te gaan, dat ruimte geven aan het diverse talent dat we in huis hebben een kracht op zich is,’ besluit Rachida Lamrabet. ‘Experimenten in de marge, die vaak heel stedelijk en divers zijn, worden nu in de kiem gesmoord. Vertrouw in de kracht van de heel complexe samenleving die Vlaanderen is, zodat je ruimte kunt creëren voor kunstenaars om zich te ontplooien in autonomie. Een regio die vertrouwen heeft in zichzelf, geeft dat vertrouwen aan mensen die ertoe doen, die kunst maken, die vernieuwen.’