Schaamrood als veelzeggende modekleur

Door Walter Weyns, op Wed Sep 16 2020 22:00:00 GMT+0000

Sorry zeggen is pas geloofwaardig als het gepaard gaat met een zichtbaar teken van ongemak. Een schaamteblos op de wangen toont immers het besef de norm met voeten te hebben getreden, én daar spijt van te hebben. Maar niet iedereen moet zich even snel generen. Is er een herverdeling van het schaamtekapitaal nodig?

Schaamte ontspruit aan traagheid, machteloze traagheid. Wie zich schaamt wil elders zijn, ver van de gênante situatie. ‘Schaam je!’, krijgt een kind te horen. Het weet zich betrapt, door de mand gevallen, vreselijk in de fout gegaan. Het voelt zich niet op zijn plaats, wil vluchten, zich verstoppen. Maar het kan niet weg, het moet stil blijven staan – ‘hier jij!’ – oog in oog met vader, moeder of een andere personificatie van De Norm. Hooguit kan het zich verbergen achter zijn handen, het oergebaar van schaamte.

Het kind krijgt een standje, zoals dat heet. Het voelt zich verlamd, in de greep van hogere machten die het heelal bestieren. En terwijl de hele familie, klas of straat lijkt mee te luisteren – en sommige toeschouwers genieten van zijn ongeluk – krijgt hij te horen dat hij een onverbeterlijke ezel is, niets waard, een deugniet. Zijn lot hangt aan een zijden draadje. Misschien wordt hij weggestuurd: het gezin, de klas, de straat uit. Misschien gebeurt er nog iets ergers. Alles is nu mogelijk. Zekerheden wankelen, zijn toekomst staat op het spel. Hij kan geen kant uit. Alles valt weg. Behalve het onbedwingbare gevoel niet te deugen, ergens te zijn waar hij niet behoort te zijn en zelfs ronduit te bestaan zonder instemming.

Wie zich schaamt beseft: leven doe ik onder hun voorwaarden, niet de mijne.

Schaamte ontspruit in wezen aan het onvermogen om te ontkomen aan krachten en machten die je je eigen bestaan niet helemaal gunnen. Wie zich schaamt beseft: leven doe ik onder hun voorwaarden, niet de mijne. Avonturiers en vrijbuiters hebben geen tijd voor schaamte, zij maken zich ijlings uit de voeten.

Vele tinten schaamrood

Emotiesocioloog Thomas Scheff noemt schaamte de meest sociale van alle basisemoties. ‘Angst, woede, verrassing, afschuw en zelfs verdriet worden buiten sociale verbanden opgewekt maar schaamte komt enkel voor binnen mensengroepen’. Mensen die, zoals enfants sauvages, opgroeien buiten sociale (mensen)groepen kennen allerlei emoties, maar geen schaamtegevoel. Ze leerden zich niet onderwerpen aan de groepsnorm. Ze voelen zich overal evenveel of even weinig thuis en dat is ronduit onverdraaglijk voor een sociale groep, die immers maar kan bestaan uit leden die zich identificeren met de groep en daarvoor een prijs willen betalen.

Mensen die opgroeien buiten sociale (mensen)groepen kennen allerlei emoties, maar geen schaamtegevoel.

Schaamrood is een zichtbaar teken van het besef de norm met voeten te hebben getreden, daar spijt van te hebben, en bereid te zijn om zich in het vervolg te onderwerpen. Zich schamen heeft evolutionair gezien dan ook grote voordelen: overtreders tonen zich gedwee, wat de spanningen binnen de groep tempert. Je zou denken dat die modererende functie van schaamte, waar Charles Darwin al op wees, overbodig wordt naarmate mensen taliger worden. Dat is niet zo. Schaamrood is een primitiever communicatiemiddel dan taal, maar heeft een streepje voor: je kunt er niet mee liegen. Of toch veel moeilijker. Zeggen dat je ‘het nooit meer zal doen’ is pas echt geloofwaardig als dit gepaard gaat met een mooie rode blos van schaamte of met een ander zichtbaar teken van sociaal ongemak.

Dat schaamte ons overvalt zonder dat we er greep op hebben, lijkt erop te wijzen dat het aangeboren is. In feite toont het enkel dat wij het aanleren van schaamtegevoelens niet herkennen als een leerproces. Schaamte aanleren begint dermate vroeg in het leven en is zo fundamenteel voor het groepsleven dat het iets natuurlijks lijkt te zijn. Maar zoals al wat is aangeleerd, verschilt ook schaamte van cultuur tot cultuur en van periode tot periode.

Schaamrood is een primitiever communicatiemiddel dan taal.

Een inventarisering van de bronnen van schaamte zou een fantastische encyclopedie opleveren vol tegenstrijdigheden. Om Michel de Montaigne te parafraseren: ‘waarvoor men zich schaamt aan de ene kant van de Pyreneeën is men trots aan de andere kant’. Waarom iets in een gegeven samenleving een gebruik, een strenge norm of een taboe is, valt zelden te achterhalen. En waarom de ene regel is blijven steken op het niveau van een gebruik waarvan de overtreding oogluikend wordt gedoogd, en andere zijn uitgegroeid tot zwaarwichtige taboes die niet eens mogen worden uitgesproken – laat staan overtreden – is goeddeels op toeval gebaseerd.

Zo was bij de Noord-Amerikaanse Navajo het voor een man taboe om zijn schoonzus bij de naam te noemen, en hij schaamde zich dood als hij dat deed. Dat lees ik in Folkways, een grabbelton van een boek geschreven door de vergeten klassieke socioloog William Graham Sumner (1840-1910). Een vluchtige lezer zal onthouden: rare wezens die mensen, maar dat is onterecht. Het boek uit 1906 is een ode aan menselijke verscheidenheid, ook inzake schaamte. Mensen kunnen zich voor zowat alles schamen.

Maar hoe gaat dat dan in z’n werk? Hoe kunnen groepsdenkbeelden en normen zo diep doordringen in iemands emotiehuishouding dat, pakweg, een nazi-jongen zich diep schaamde omdat hij per abuis eerst dronk vóór hij de harde brokjes worst en brood van zijn bord had genuttigd? Vloeibaar en vast mengen was in de nazi-opvatting een kardinale fout, schrijft Jonathan Littell in Het droge en het vochtige (2009): het vaste ging voor op het vloeibare. Waarom zou een mens zich voor zoiets schamen? Iedereen ziet toch hoe belachelijk dat is?

Een inventarisering van de bronnen van schaamte zou een fantastische encyclopedie opleveren vol tegenstrijdigheden.

Maar dat is het net. Indien een groep enkel normen oplegt waarvan iedereen, groepslid of niet, de zin inziet is er weinig dat die groep van andere groepen onderscheidt. Vandaar het belang van toevallige kleine verschillen. Onnozelheden kunnen uitgroeien tot zaken van het grootste belang, enkel en alleen omdat de groep er gewicht aan geeft. Niet zelden schamen mensen zich om de kleren die ze vroeger droegen. ‘Hoe idioot zag ik er toen uit, ik schaam me dood, en kijk dat kapsel’. Blijkbaar schamen ze zich om de ongerijmdheid dat zij zich nu niet meer durven te vertonen in een outfit die ze toen tiptop vonden. Had ik dan toen niet meer smaak? Hoe kan dezelfde persoon zo’n metamorfose ondergaan?

Het ongemakkelijke antwoord is dat men desnoods bereid is om met hoge hoeden, ingesnoerde korsetten, stijve boorden die in de hals snijden, gescheurde kleren, afgezakte broeken of welke gril dan ook, de straat op te gaan als de mode dit vraagt. Zoals iedere groepsregel stelt de mode individuen op de proef, met dit verschil dat de mode je dwingt om de groep achterna te hollen, aangezien de regel om het seizoen verandert.

Simon Leynen

De schaamtedrempel

Het is de verdienste van de cultuursocioloog Norbert Elias (1897-1990) om inzicht te verschaffen in veranderende normstelsels op de lange termijn, en in de daarmee gelijklopende veranderingen van de schaamtegevoelens. Hij verkeek zich niet op de oneindige diversiteit van regels en normen, die inderdaad sterk van samenleving tot samenleving verschillen. Het aantal regelsystemen inzake fatsoen, voedsel, huwelijk, opvoeding, seks enzovoort, die de basis vormen van een schaamteregime, is enorm. Hoe kan je daar een overzicht van krijgen?

In tegenstelling tot William Sumner, een verzamelaar van regels en gebruiken, zwolg Norbert Elias niet in de zee van regels maar bedacht een maatstaf waaraan je gebruiken en regels kunt afmeten: de schaamtedrempel. Hij veranderde de vraag ‘waarvoor schamen mensen zich zoal?’ in ‘schamen mensen zich meer of minder over een bepaalde periode?’ Iedereen weet dat mensen zich soms schamen bij het tonen van bepaalde lichaamsdelen. Maar waarom Toearegmannen hun gezicht verbergen achter een sluier of waarom er in het victoriaanse tijdperk zo’n groot taboe bestond op het tonen van vrouwenenkels dat ze tafelpoten bedekten omdat die gelijken op enkels, zijn vragen die al snel uitmonden in anekdotische verklaringen.

Daar wilde Elias van af. In zijn boek Über den Prozess der Zivilisation (1939) onderzocht hij waarom schaamtegevoelens doorheen de tijd zijn toegenomen. Zo kwam hij tot een beschavingstheorie waarin de verschuiving van de schaamtedrempel centraal staat.

Schaamte is een teken van beschaving, géén beschaving zonder schaamte.

Schaamte is een teken van beschaving, géén beschaving zonder schaamte. Freud zei iets gelijkaardigs: geen cultuur zonder onbehagen. Hoe meer mensenlevens met elkaar zijn vervlochten door handel en arbeidsdeling, hoe meer ze rekening houden met elkaar. Ze ‘verinwendigen’ sneller maatschappelijke normen (‘het geweten is van oorsprong een sociale angst’, wist ook Freud), en gaan zichzelf meer beheersen. Vooral lichamelijke impulsen zijn het voorwerp van controle. Beschaafde mensen zijn bewakers van zichzelf, ze oefenen meer dan onbeschaafde mensen een permanente zelfdwang uit.

Zelfdwang heeft iets schizofreens. Om jezelf te kunnen bedwingen moet je met z’n tweeën zijn. Maar wie is die andere in mezelf die me bewaakt, ook al is er niemand anders als getuige bij? Is het een engel, zoals Erasmus beweerde, ‘die altijd aanwezig is, en die niets liever ziet bij kinderen dan de schroom, de metgezellin en bewaakster van de zedigheid’? Wie is dan die engel-bewaker?

De verinwendigde maatschappij, zeggen sociologen. Er huist een door de maatschappij gedelegeerde conciërge in ons. Gewoonlijk beperkt die zich tot bedekte toespelingen of raadgevingen: ‘Trek dit niet aan, da’s te bloot’. Maar in echt gênante situaties gaat hij aan de noodrem hangen en laat de sirenes van schaamte afgaan. Dan treedt een dubbele communicatie in werking. Terwijl de inwonende conciërge er zich normaliter toe beperkt ons in te fluisteren wat we wel of niet moeten doen, richt hij zich nu via een felle blos op de wangen of een beloken blik rechtstreeks tot de omstanders, en roept als het ware hun hulp in. En tegelijk richt hij zich met hoge stem tot onszelf: ‘Dit kan absoluut niet!’

Schaamte is dus een alarmcommunicatie op twee niveaus, zowel naar de buitenwereld als naar onszelf, die in werking treedt ondanks onszelf.

Elias onderzocht de verschuivingen van de schaamtedrempel, het moment waarop het schaamtealarm afgaat, aan de hand van manierenboekjes. Dat zijn pedagogische hulpmiddelen om kinderen van de adel fijne manieren aan te leren. Zulke boekjes waren vanaf de 12de eeuw in zwang. Eerst werden zij enkel in adellijke kringen gebruikt, later ook in burgerlijke kringen. Zij bevatten richtlijnen over tafelmanieren, kleding en taalgebruik maar ook over hoe men zijn behoefte moest doen, zijn neus snuiten, enzovoort. Vergelijking van deze boekjes leert wat men in verschillende perioden onder beschaafd gedrag verstond en geeft een indicatie van de verschuiving van de schaamtedrempel.

Een vergelijking tussen de standenmaatschappij en de democratisch burgerlijk-industriële samenleving toont hoe schaamte ingebed zit in machtsverhoudingen.

Over de richting van die drempelverschuiving is Elias duidelijk: mensen begonnen zich over alsmaar meer te schamen. Eerst kregen ze bijvoorbeeld de raad om winden te camoufleren met gekuch, enkele eeuwen later werd te verstaan gegeven dat je ‘nooit behoort te praten over lichamelijke behoeften waaraan de natuur ons heeft onderworpen’. De zelfdwang ging dus zover dat mensen niet eens over hun lichaamsfuncties praatten. Ze werden ‘beschaafder’. Lineair ging dat proces niet. Het ging met horten en stoten en het verliep heel anders in de standenmaatschappij dan in de meer democratische burgerlijk-industriële samenleving.

Een vergelijking tussen die twee maatschappijen toont hoe schaamte ingebed zit in machtsverhoudingen. In democratische samenlevingen zijn mensen in principe gelijk, wat betekent dat ze zich evenveel voor elkaar zouden kunnen schamen.

In de hoofse maatschappij ‘was schaamte in hoge mate hiërarchisch naar standen begrensd’. Een heer of een dame kon zich in aanwezigheid van een ondergeschikte rustig ontbloten. Voor iemand van een lagere stand hoefde je je niet te schamen, diens blik had geen normerende kracht. Je kon je even goed omkleden in aanwezigheid van een dienaar als in aanwezigheid van een huisdier. Die deden er toch niet toe. Dienaren zijn niet-personen, zoals de Canadese socioloog Erving Goffman ze in The Presentation of Self in Everyday Life (1959) noemt, mensen wier taak erin bestaat om samen te vallen met hun functie en voorts te doen alsof ze er niet zijn.

Voorwenden niet te bestaan is overigens niet makkelijk. Zodra je laat blijken dat je je geneert voor het schaamteloze gedrag van je superieur, beoordeel je in feite diens gedrag en matig je jezelf aan diens gelijke te zijn – een brutaliteit waarvoor je je moet schamen.

Schaamtestrijd

Zich schamen gebeurt op de maatschappelijke ladder in de regel van onderen naar boven. De verworpenen der aarde, de lagere klassen, de armen en minderheden, de ondergeschikten en gediscrimineerden, de uitgebuitenen en genegeerden, de miskenden en bespotten, de gestigmatiseerden en gemarginaliseerden beschikken – als je dat zo cynisch mag uitdrukken – over een reusachtig kapitaal aan schaamte dat hen weerhoudt het hoofd op te richten en ten volle iemand te zijn. Echte democratisering veronderstelt een herverdeling van alle kapitaal, ook van schaamtekapitaal.

Echte democratisering veronderstelt een herverdeling van alle kapitaal, ook van schaamtekapitaal.

Het is goed mogelijk dat we op dat vlak een revolutie meemaken. Terwijl de 19de en 20ste-eeuwse revolutionairen droomden van een klasseloze maatschappij waarin economisch kapitaal gelijk verdeeld zou zijn, maken we vandaag een heel andere revolutie mee: die van de herverdeling van schaamte. Sociale bewegingen die actief zijn op het vlak van klimaat, diversiteit, #Metoo, LGBTQ, Indignados, dierenrechten, Black Lives Matter, Occupy Wall Street – en de lijst is veel langer – hebben met elkaar gemeen dat ze ieder op hun manier streven naar een rechtvaardiger wereld.

In de praktijk kunnen deze bewegingen niet zomaar tot één grote beweging worden verenigd. Dat is nu juist wat we niet willen, zullen sommigen aanvoeren, we willen juist weg van het eenheidsdenken. Dat moge zo zijn, maar het valt op dat al deze bewegingen – veel meer dan hun 19de- en en 20ste-eeuwse voorlopers – aan naming and shaming doen. Een niet gering deel van hun activiteit bestaat erin hun belagers of tegenstanders publiekelijk aan de schandpaal te nagelen.

Of het nu gaat om vleeseters, mannelijke seksuele roofdieren, mensen met een grote ecologische voetafdruk, vliegtuigreizigers, kapitalisten met adressen in belastingparadijzen, homohaters, transfoben, racisten, witte mannen: zij worden allen met de neus gedrukt op hun onverantwoorde gedrag, om niet te zeggen hun slechte inborst. Ze moeten, zou je haast zeggen, tot inkeer komen en boete doen. Daarvoor is gedragsverandering niet genoeg, ook hun inborst moet worden gezuiverd en ze moeten zich schamen voor wie ze vroeger waren. Pas als alle sporen van glimmende eigendunk en hufterige superioriteitsgevoelens de wereld zijn ‘uitgeschaamd’, kan de oude verderfelijke orde verdwijnen.

Het beschaamd maken van de onverantwoorde elites uit het verleden – de elite van kapitalisten, mannen, witten, hetero’s, kolonisten en westerlingen – is niet zomaar een bijkomstigheid of een zure uiting van frustratie, maar maakt essentieel deel uit van de nieuwe sociale bewegingen.

De pas overleden Nederlandse socioloog Johan Goudsblom, vriend en intellectueel erfgenaam van Norbert Elias, liet zich ooit ontvallen dat de aarde misschien enkel kon worden gered door een nieuw beschavingsoffensief, één waarbij de schaamtegrens zou worden opgetrokken tot we het onheil dat we aan natuur en medemens aanrichten in onszelf zouden ervaren als buitengewoon pijnlijk. Kan een schaamterevolutie ons redden?