Liever dood dan dik: Interview met Sabrina Strings

Door Philsan Osman, op Tue May 31 2022 22:00:00 GMT+0000

Wat hebben fat phobia en racisme met elkaar te maken? Welke rol heeft de slavernij daarin gespeeld? En waar zijn al die rubensiaanse vrouwen naartoe? We spraken met Sabrina Strings, sociologe en een belangrijke inspiratie voor iedereen die dik activisme serieus neemt.

Fearing the Black Body: The Racial Origins of Fat Phobia van Sabrina Strings (2019) is het eerste boek dat ik las over de raciale wortels van fat phobia. Sinds mijn vijfde krijg ik te maken met mensen die commentaar hebben op mijn gewicht, die zeggen dat ik er magerder beter zou uitzien. Dat zullen de meeste dikke mensen herkennen. Iedereen lijkt wel een mening kwijt te willen over de gezondheid of ongezondheid van dikke lijven.

Het publieke debat met betrekking tot fat liberation en dik activisme staat in België op dit moment nog veel minder ver dan in de VS. Ik ben dan ook erg vereerd te kunnen spreken met Sabrina Strings, professor sociologie aan de Universiteit van Californië in Irvine. Strings gaat dieper in op de oorsprong van de mentaliteit van magerte boven alles, hoe die ontsproten is uit de wetenschappelijke veranderingen tijdens de verlichting, de rollen die slavernij en kolonialisme daarin speelden, en de gevolgen voor dikke mensen tot op vandaag. ‘Racisme ligt niet in het verleden, het is niet louter iets wat de toegang van zwarte mensen tot degelijk betaald werk belemmert. Het is een fundamenteel onderdeel van de moderniteit en beïnvloedt elk aspect van het leven, gaande van gezinsvorming tot onderwijs en toegang tot gezondheidszorg. Er is geen enkel aspect van een mensenleven dat niet door racisme wordt geraakt.’

Ja, ook fat phobia is racistisch

Voor het onderzoek van Fearing the Black Body gaat Strings terug tot de trans-Atlantische slavenhandel uit de 18de eeuw, toen de idee heerste dat bepaalde groepen mensen typische fysieke en gedragskenmerken vertonen. Om de slavernij te rechtvaardigen, keken mensen niet alleen naar huidskleur en haartype, maar ook naar lichaamstype. Hoewel witte feministische onderzoekers wel al de representatie van lichaamstype en huidskleur in vrouwenbladen hadden bestudeerd – ook Strings is daar begonnen – hadden ze geen oog voor de representatie van Afrikaanse en zwarte mensen: ‘Ze spraken vaak over de Ieren. Ik herinner me hoe bizar ik dat vond. Waarom uitgerekend de Ieren? Ik ontdekte dat er een beweging was in de 19de eeuw die Ieren als “hybride wit” bestempelde, wat zoveel betekent als half zwart. Dat was voor mij het beginpunt om het anti-zwart racisme als trend te begrijpen.’

‘Tijdens de renaissance werden dikke lijven en voluptueuze vrouwen gelauwerd, maar weinigen staan erbij stil hoe of waarom dat veranderde.’

Die link tussen ras en de afkeer voor dikheid, waar ook sociale klasse, gender en geneeskunde elkaar kruisen, lijkt de meesten te ontgaan. Strings benadrukt dat een grondig begrip van intersectionaliteit nog altijd ontbreekt, ondanks de opmars van die term in recente jaren. ‘Ik vind het opmerkelijk hoe velen, en in het bijzonder linkse witte mensen, met racisme omgaan: heel erg oppervlakkig. Europese academici merken op dat tijdens de renaissance dikke lijven werden gelauwerd en voluptueuze vrouwen beschouwd als toonbeelden van schoonheid, en zijn zich er ook van bewust dat dat op een bepaald moment veranderde, maar staan er niet bij stil hoe of waarom.’

In de 19de eeuw beginnen onderzoekers te verkondigen dat Afrikanen typisch dik zijn. Ze beschrijven hen als erg zintuiglijke mensen, die houden van eten en seks. ‘Rassenwetenschappers wisten heel goed wat ze deden met die claims. De “natuurlijke dikheid” van zwarte mensen zou geen goed schoonheidsmodel zijn voor “Europeanen”. Dus schoven ze een esthetisch ideaal naar voren dat paste bij hun normen en waarden.’ Tegen het begin van de 20ste eeuw was die link tussen de rassenwetenschap en fat phobia grotendeels vergeten. ‘In verschillende missies, kranten en tijdschriften presenteerden witte Europeanen slankheid als een ideaal zonder te weten waar het vandaan kwam.’

Verder werpt Strings haar licht op het slankheidsideaal aan de hand van de ‘ascetische esthetiek’. ‘In de tijd dat mensen het voluptueuze schoonheidsideaal prezen, zagen ze het als iets weelderigs, een viering van het leven, zoals je kan zien in de schilderijen van Peter Paul Rubens. Mensen haalden genot uit hun lijven, hun eten en hun bestaan. Maar toen in de verlichting de rationaliteit de bovenhand kreeg, groeide de kritiek op het ooit zo natuurlijke levensplezier.’ Plots was het nodig om burgers in het gareel te houden aan de hand van wetenschappelijke principes. De beste versie van jezelf zou je niet worden door languit te liggen eten, zoals in het oude Rome, maar door wat Strings beschrijft als: ‘een strenge houding tegenover voeding, waarmee je zowel aantoont dat je een rationele “Europeaan” bent, als God eert door met mate te eten, net zoals je ook met mate zou drinken.’

‘Wat Saartjie angstaanjagend moest maken, naast haar huidskleur, was haar omvang.'

Ook religie speelt in deze periode een belangrijke rol in het bepalen van wat ‘Europees’ is. ‘Al sinds de 17de eeuw voerden proselieten (heidenen die zich hebben bekeerd tot de Joodse godsdienst, red.) campagne tegen vraatzucht, vooral in Engeland, en lang voor de opkomst van de rassenwetenschap. Maar toen die wetenschap in opmars was en het verband tussen witheid, aantrekkelijkheid en magerte vergrootte, zetten witte vrouwen hun schouders onder het slankheidsideaal als bewijs van zowel hun protestantse identiteit als hun raciale superioriteit.’

Een levende illustratie van die raciale superioriteit is Saartjie Baartmans leven in Europa. Strings gebruikte een afbeelding van Baartman, een van de sleutelfiguren in het boek, als cover: ‘Ik koos daarvoor omdat die de verschrikking afbeeldt die zwartheid in de harten van witte mensen kan oproepen. Op het doek dat de Fransman Sébastien Cœuré in 1831, lang na haar dood, schilderde, zien we hoe het was om naar de tentoongestelde Sarah te gaan kijken. Ze zou in een donkere kooi zitten terwijl toeschouwers rondom verzamelen, waarna een africhter haar zou aanporren om naar voren te stappen en het publiek zogezegd aan te vallen.’ Strings legt uit dat die vertoningen het publiek precies het spektakel gaven waarvoor ze waren gekomen: een opportuniteit om met recht en reden bang te zijn voor zwarte vrouwen. Hoewel slavernij een booming business was, hielden de kolonisatoren de slaven netjes in de kolonies. Doorgaans verschenen de slaven niet in Londen of Parijs, dus toeschouwers kwamen naar dergelijke spektakels om bang te worden. Ze dwongen Saartjie telkens opnieuw tot die performance.

‘Witte mensen koppelden dikheid aan zwartheid en gebruikten het lichaam van Saartjie Baartman om hun mythologie te illustreren.’

Strings benadrukt hier nog een aspect van Saartjies verhaal: ‘Wat Saartjie angstaanjagend moest maken, naast haar huidskleur, was haar omvang. Mensen claimden dat ze drieënhalve meter was in omtrek. We kunnen niet aantonen of dat klopt, maar daar gaat het niet om. Het punt is dat witte mensen dikheid aan zwartheid koppelden, en het lichaam van Saartjie Baartman gebruikten om hun mythologie te illustreren.’

Weerstand

De inspiratie om het verband tussen fat phobia en racisme te onderzoeken, haalde Strings uit de soaps die ze als tiener met haar grootmoeder bekeek, en later uit haar job bij een hiv-referentiecentrum in San Francisco. Het onderzoek liep echter niet van een leien dakje. Sommige academici beweerden dat tweedegolffeministen dit soort onderzoek al hadden gedaan, andere claimden dat het werk van Strings niet academisch en dus onwetenschappelijk was. ‘Er zijn zeker academici die het belang van dit werk erkennen en er meer over willen weten, maar er zijn er ook die vinden dat het een soort excuus is om dik te zijn en dat zij die opkomen tegen fat phobia dit allemaal verzinnen. Ik merk nog altijd veel verzet tegen het onder ogen zien van de historische realiteit en ontwikkeling van fat phobia en haar verhouding met racisme.’ De indruk heerst dat zwarte mensen altijd ergens racisme in zien. ‘Wat we zien gebeuren, is dat mensen racisme niet meer relevant vinden als thema. Of dat ze de nood voelen het racisme waarover zwarte mensen spreken in vraag te stellen.’

‘Racisme was cruciaal voor het ontwikkelen en verspreiden van kapitalisme. Zonder kolonisatie en slavernij zouden we de instellingen niet hebben die ons hier, in de westerse wereld, vandaag zo dierbaar zijn. Die instellingen zijn letterlijk op de ruggen van slaven gebouwd. We kunnen in de westerse wereld, waar lange tijd een raciaal kastensysteem heeft bestaan en mogelijk nog altijd bestaat, niet pretenderen dat huidskleur er niet toe doet.’

Het stigma van de dikke patiënt

Een van de grote gevolgen van die racistische houding tegenover lichaamsomvang is de body mass index (BMI). Je kan niet over fat phobia praten zonder het daarover te hebben. ‘Lange tijd werd de Queteletindex gebruikt, de voorloper van de BMI. In de 19de eeuw probeerde Adolphe Quetelet de verdeling van lichaamsgewicht binnen een bevolkingsgroep in kaart te brengen’, legt Strings uit. Later, in de 20ste eeuw, zouden voornamelijk Amerikanen de index foutief gaan inzetten om na te gaan of iemand ‘te veel vet’ aan zijn lijf heeft. ‘Er is nauwelijks bewijs dat dat een betrouwbare meting oplevert van de vetlijvigheid of overgewicht van een individu, laat staan dat het de relatie tussen overgewicht en een slechte gezondheid aantoont. En toch gebruiken mensen de BMI uitgerekend daarvoor.’ Zo zijn we een tool die geverifieerd en geïmplementeerd is binnen een specifiek toepassingsgebied gaan gebruiken in een ander gebied waar hij schade veroorzaakt.

Medisch racisme en het stigma van dikke patiënt maken dikke zwarte mensen nog minder geneigd om naar het ziekenhuis te gaan wanneer ze ziek zijn.

We hebben voldoende bewijzen voor het effect op dikke zwarte mensen en dikke mensen van kleur in de gezondheidszorg. ‘Er bestaan verschillende vormen van slechte wetenschap als het op de BMI aankomt. Mensen brengen allerlei studies en artikels uit die een correlatie aantonen tussen de BMI en een of ander gezondheidsresultaat en beweren dan dat de BMI dat resultaat beïnvloedt. Ik vind dat schandalig. Ik geloof dat die connectie vals is en verontrustend, want we kunnen absoluut geen causaliteit aantonen. Helaas houden mensen daar nog altijd aan vast.’ Hoewel gezondheidswetenschappers aangeven dat stress, klimaatracisme, armoede, seksisme e.d. in werkelijkheid een grotere invloed hebben op de gezondheidsongelijkheid, blijft de BMI overeind als een makkelijke zondebok. ‘De gevolgen hiervan zijn nefast voor dikke mensen. Wanneer ze naar de dokter gaan, zal die hen simpelweg opdragen om te vermageren. Er zijn voorvallen bekend van dikke mensen die naar de dokter gaan, te horen krijgen dat hun gezondheidsproblemen aan overgewicht te wijten zijn, om dan nadien te ontdekken dat ze kanker hebben.’

We weten dat zwarte mensen – vooral in de westerse wereld – vermijden om naar het ziekenhuis te gaan wanneer ze ziek zijn. ‘Ongeacht je lichaamsgrootte en andere identiteitskenmerken die kunnen kruisen met zwart zijn, weet je dat wanneer je in een ruimte komt met weinig andere zwarte mensen, zoals een dokterspraktijk, je het risico loopt van discriminatie.’ De goed gedocumenteerde realiteit van medisch racisme, bovenop het stigma van de dikke patiënt, zorgt ervoor dat dikke zwarte mensen, in vergelijking met hun niet-dikke zwarte lotgenoten, nog minder de neiging hebben om naar het ziekenhuis te gaan wanneer ze ziek zijn. ‘Wanneer we het hebben over de gezondheid van dikke mensen, moeten we mee in rekening nemen dat de gebrekkige zorg die zij krijgen, of zelfs hun beslissing om geen zorg te vragen, een enorme invloed heeft op hun gezondheidstoestand.’

Het valt op dat maar weinig studies gender, huidskleur en fatness op een intersectionele manier benaderen.

Dat zagen we ook tijdens de COVID-19-pandemie, toen bepaalde zorgverleners hun vooroordelen over dikke mensen lieten blijken. ‘Vele onderzoekers haastten zich in het begin van de pandemie om te verkondigen dat dikke mensen deel van het probleem waren. Ze brachten hun besmetting in verband met hun gewicht. Het zou ook door dikke mensen komen dat het virus de bevolking verzadigde.’ Strings gaat verder: ‘Volgens mij was de initiële reactie van onderzoekers op covid door fat phobia ingegeven. Misschien hebben sommigen hun taal een beetje aangepast, terwijl anderen nieuwe wegen zijn ingeslagen om hun oorspronkelijke meningen te blijven verdedigen, maar we zien ook met covid dat het dik-stigma stevig overeind blijft.'

Pleidooi voor een holistische aanpak

Het valt op dat maar weinig studies gender, huidskleur en fatness op een intersectionele manier benaderen. ‘Zelf ben ik nog geen studie tegengekomen die het heeft over dikke zwarte mannen, terwijl die absoluut noodzakelijk is. De verhouding tussen zwarte mannen en fatness zou best wel eens nader onderzocht mogen worden.’ Er zijn echter al enkele belangrijke werken in die richting verschenen: ‘Da’Shaun Harrison, een zwarte transman, is auteur van het boek Belly of the Beast: The Politics of Anti-Fatness as Anti-Blackness. Vanuit een persoonlijk perspectief als non-binair persoon neemt Da’Shaun de verhouding tussen fatness en mannelijkheid onder de loep.’ In het boek werpt die een frisse en nauwkeurige blik op antizwartheid en anti-fatness. Het werk van de auteur is doorweven met hun visie op het schoonheidsdebat, het verband tussen anti-fatness en het gevangenissysteem in de VS, de bekrompen houding tegenover gender, en vele andere vormen van schade die zwarte mensen ondervinden.

‘Ik ben nog geen studie tegengekomen die het heeft over dikke zwarte mannen, terwijl die absoluut noodzakelijk is.’

We kunnen dus concluderen dat er efficiëntere manieren zijn om iemands gezondheid te meten. ‘We moeten erkennen dat gewicht een van de waarden kan zijn die de gezondheid van een individu bepalen, maar niet de enige. Het gaat er niet om of die persoon een “normaal” gewicht heeft, want het kan dat dat het geval is, maar iemand bijvoorbeeld veel gewicht rond de buik heeft. Die persoon kan dan meer risico lopen dan iemand die als “obees” wordt gezien. En hoewel we ons ervan bewust zijn dat lichaamssamenstelling een grote invloed heeft op onze gezondheid, gaat het nog altijd over het totale gewicht.’ Ook moeten we begrijpen dat er andere factoren een rol spelen: ‘Pas als we kijken naar de toegang tot groenten en fruit, naar hoe sommige mensen in voedselwoestijnen of in gemeenschappen met voedselapartheid leven, naar voedselveiligheid, of toegang tot kinderopvang zodat gezinnen tijd hebben om zelfbereide maaltijden te eten, kunnen we werken aan een gezondheidsbeeld dat niet alleen het individu maar de hele gemeenschap ten goede komt en dat niet op fat phobia gestoeld is.’