Hoe overleven kunstenaars de lockdown? Vijf lessen uit de eerste Tuesday Talk

Door redactie rekto:verso, op Thu May 07 2020 22:00:00 GMT+0000

Als gevolg van de coronacrisis staat de cultuursector voor cruciale maanden. En dus faciliteren rekto:verso, Kunstenpunt en State of the Arts elke dinsdagavond een online debat rond een prangende vraag. Voor onze eerste Tuesday Talk op 5 mei luidde die vraag: hoe zullen kunstenaars de lockdown overleven? We vatten de belangrijkste antwoorden voor u samen.

‘We stellen altijd weer vast dat de kunstenaar als laatste in de ketting komt’, zei moderator Wouter Hillaert tijdens de eerste Tuesday Talk. Hoewel de artiest in de Visienota van minister Jan Jambon onlangs nog tot hét centrum van het cultuurbeleid werd uitgeroepen, behoort hij tijdens de coronacrisis toch opnieuw tot de eerste slachtoffers. En de virtuele kunst die artiesten nu gratis delen, bevestigt enkel de verwachting dat ze ook vrijwillig blijven voortwerken. Hoe moet de kunstenaar deze crisis overleven?

Bekijk het gesprek van Eline De Clercq (beeldend kunstenaar), Bart De Vos (medewerker kunsten Kabinet Jambon), Saskia Liénard (internationale relaties KVS en bookingsagent) en Dirk Cornelis (directeur van cultuurcentrum De Spil in Roeselare) over de huidige steunmaatregelen en hun gaten, de arbeidsvoorwaarden in de cultuursector en hun alternatieven. Of lees de vijf belangrijkste lessen.

1. Op naar een freelancestatuut

De coronacrisis is een financiële ramp voor kunstenaars. Dat weet ook Eline De Clercq die sinds 13 maart al haar opdrachten verloor. ‘Momenteel verdien ik maandelijks 400 euro netto, alleen door de lessen die ik blijf geven.’ Maar op overheidssteun kan de kunstenares geen beroep doen. Ze moet overleven op een combinatie van spaargeld en hoop voor de toekomst.

Het probleem is haar statuut, weet De Clercq. ‘Hoe kunstenaars werken en wat ze daarnaast doen, verschilt heel erg per persoon. Zelf werk ik officieel te weinig dagen om kans te maken op een kunstenaarsstatuut. Maar om als zelfstandige te overleven, is mijn inkomen dan weer te laag. Ik werk dus deels via een sociaal bureau voor kunstenaars, waar ik 70% van wat ik verdien afsta, en laat kleine bedragen uitbetalen via een kleine vergoedingsregeling (KVR).’

‘Een freelancestatuut kan flexibiliteit mogelijk maken, zodat je bij een tegenvaller ergens op kunt terugvallen en als je inkomsten krijgt, niet evenveel moet afstaan als een zelfstandige.’

Die verschillende betalingswijzen maken het voor De Clercq extra moeilijk om aan te tonen dat ze als kunstenaar werkt. ‘Wie geen loon kan bewijzen, kan ook geen vervanging vragen. Volgens mij hebben we in België nood aan een freelancestatuut, niet alleen voor kunstenaars maar ook in andere beroepen. Zo’n statuut moet flexibiliteit mogelijk maken, zodat je bij een tegenvaller ergens op kunt terugvallen en als je dan eens inkomsten krijgt, niet evenveel moet afstaan als een zelfstandige.’

2. Pijn op de lange termijn

Ook Saskia Liénard constateert een structureel probleem rond werkonzekerheid voor artiesten. ‘Er komen sociaaleconomische drama’s aan. Ik ken mensen die overwegen om hun huis te verkopen of uit de sector te stappen.’

Naast een statutair probleem stipt Liénard een ander kenmerkend pijnpunt aan voor kunstenaars. ‘Acteurs en muzikanten, de groep artiesten waarmee ik vaak in aanraking kom, plannen producties lang op voorhand. Om tournees te verkopen, houden ze zich vaak zelfs al twee jaar voordien vrij. Als dat werk en die uitkoopsom wegvallen, ga je niet zomaar snel even iets nieuws maken. Niet iedereen kan plots meespelen in een goedbetalende filmproductie. Zo schuift het probleem mee op en maken veel artiesten onzichtbare verliezen. Kijk ook naar de internationale tournees die nu op de helling staan en waaraan jaren werk en carrièreplanning voorafgaat. In het beste geval worden zulke tournees verschoven, maar de meesten zullen dat geluk niet hebben. De coronacrisis zal op die manier nog jaren voelbaar zijn.’

3. Wat kan de overheid doen?

‘Mensen hebben nood aan troost en schoonheid, en kunst kan die bieden’, vervolgt Liénard. ‘Er wordt vandaag gespeeld, gelivestreamd, voorgedragen: de artiest houdt niet op. Maar daar mag van overheidswege iets tegenover staan. De kunstenbranche wordt vaak stiefmoederlijk behandeld. We verdienen het om even serieus genomen te worden als andere sectoren. Over het noodfonds is nog altijd geen uitsluitsel. Er wordt maar gewacht. Bovendien is het voorziene bedrag van 200 miljoen voor cultuur én jeugd én media én sierteelt... erg weinig vergeleken met andere landen. De vlag dekt de lading volstrekt niet.’

Er wordt vandaag gelezen, gelivestreamd, voorgedragen: de artiest houdt niet op. Maar daar mag van overheidswege iets tegenover staan.

Vanuit het kabinet Jambon benadrukt Bart De Vos echter dat het belangrijk is om eerst het geheel van steunmaatregelen in ogenschouw te nemen, voor we cultuur isoleren. ‘Het uitgangspunt voor de Vlaamse regering was om zoveel mogelijk personen, gezonde organisaties en bedrijven te redden’, legt hij uit. ‘Daarom wilden we zo generiek mogelijk maatregelen treffen, uiteraard rekening houdende met de gevoeligheden van elke sector. Die aanpak is ook de reden waarom we zo snel de hinderpremie, de compensatiepremie en het overbruggingsrecht konden introduceren.’

Hoe zit het dan met de maatregelen voor de cultuursector in het bijzonder? De Vos begint met een beleidsinitiatief dat wel eens vergeten wordt. ‘Een Vlaams nooddecreet stond ons al toe de structurele subsidies vervroegd uit te betalen, om de cashflow bij kunstenorganisaties te garanderen. Die regeling zal niet alle kosten dekken, maar we hebben wel het maximale proberen te doen. Ook de hinderpremie en de compensatiepremie kunnen ingeroepen worden in de cultuursector.’

De Vos begrijpt wel de specifieke ongerustheid over kunstenaars, zeker die met korte contracten. ‘Daarover zijn we continu in contact met federaal minister Muylle, maar dat duurt even, omdat de antwoorden niet zomaar klaar liggen. Ook hier opteren we liefst voor een generieke benadering, maar dat gaat gepaard met de nodige discussies, want als je iets aanpakt voor sector X zijn er ook consequenties in sector Y. Het is zo dat sommige kunstenaars nu al kunnen gebruikmaken van de werkloosheidsuitkering. Als de federale regering die regeling rond tijdelijke werkloosheid nu nog wat zou kunnen uitbreiden, wat onze eerste voornaamste optie is, zijn bepaalde groepen al minder precair dan andere.’

‘Het zou de bedoeling zijn om kwetsbare groepen kunstenaars via gesubsidieerde organisaties te bereiken, want voor een overheid is het moeilijk om te zien wie kwetsbaar is en wie niet.’

Maar als dat niet gebeurt, voorziet het Vlaamse noodfonds van 200 miljoen dan een opvangnet voor die individuele cultuurwerkers die nu tussen de mazen van het net glippen? ‘Jawel, maar we willen die kwetsbare groepen bereiken via gesubsidieerde organisaties, omdat het voor een overheid veel moeilijker is om te zeggen wie kwetsbaar is en wie niet. Je hebt daarvoor intermediaire organisaties nodig, die hun achterban aan kunstenaars en medewerkers veel beter kennen. Alleen is over dat noodfonds nu nog geen exacte duidelijkheid, want die oefening hangt samen met allerlei andere maatregelen. We willen de oefening tegen half mei afronden om ze daarna te operationaliseren. Maar dus: we zijn ons heel bewust van die precaire doelgroep, en daar willen we ook onze verantwoordelijkheid in nemen. Alleen is er dus even onderzoek voor nodig.’

4. Wat kunnen instellingen doen?

Maar die instellingen en organisaties raken nu zelf verstrikt in een complex financieel kluwen. Vloeit het geld van zo’n noodfonds wel door naar de individuele kunstenaar? oKo, de koepel voor de kunstensector, suggereerde de kunstenpodia en cultuurcentra om 30% van de voorziene uitkoopsom voor een geannuleerde voorstelling aan artiesten te geven. Dat verzoek zou tegemoet kunnen komen aan de scheve verhouding tussen enerzijds vaste werknemers van cultuurorganisaties en anderzijds artiesten, die vaak als eerste moeten inleveren. Dirk Cornelis van De Spil begrijpt hun moeilijke situatie maar gaat er liever niet op in. ‘Ons cultuurcentrum zal naar schatting 60.000 euro verlies maken. We hebben echt geen geldstroom waaruit we zomaar kunnen plukken. Ook wij moeten maken dat onze instelling volgend jaar nog bestaat.’

‘Eén derde of één vierde van onze tickethouders heeft gehoor gegeven aan de oproep om tickets te ruilen voor een waardebon.’

Cornelis ziet wel andere mogelijkheden tot solidariteit. ‘We hebben zoveel mogelijk voorstellingen in overleg kunnen verplaatsen. Dat houdt voor ons ook een risico in, want de ticketverkoop voor zo’n geconcentreerd en onzeker programma valt moeilijk in te schatten. Voor voorstellingen die geannuleerd zijn, hebben we, zoals minister Jambon voorstelde, een steunfonds opgericht waar het publiek zijn tickets kan inruilen voor een waardebon, zodat het geld bij de kunstenaars terechtkomt. Eén derde of één vierde van onze tickethouders heeft aan die oproep gehoor gegeven.’

Ten slotte vraagt Cornelis zich af of er geen andere manieren zijn om herverdeling mogelijk te maken. ‘We spreken vaak over geld en noodfondsen, maar wat kunnen we ondertussen zelf doen? Bij De Spil hebben we heel snel beslist om alles te annuleren tot 30 juni en zijn we bijvoorbeeld het nieuwe concept Canapé gestart, een radio- en tv-kanaal waarmee we programmeren in zorgcentra en internaten, wellicht nog tot eind augustus. Daarvoor huren we nu een aantal artiesten in, zoals Ilse De Koe.’ Het cultuurcentrum biedt dus wel kansen en rechtstreekse inkomsten aan enkelingen, maar structurele solidariteit voor de malaise bij producerende huizen ligt moeilijker. Of zoals Facebook-kijker Katrien Reist schrijft: ’De centrale vraag is die naar verantwoordelijkheid en het eerlijk verdelen van risico's.’

5. Hoe realistisch is fair practice?

De laatste les in deze Tuesday Talk: er is nog werk aan de winkel om fair practice in de cultuursector ook in de praktijk te brengen. ‘oKo keurde al een charter fair practices goed, en ook Flanders DC deed een soortgelijke oefening’, weet De Vos. ‘Het is nu verstandig om alle actoren samen rond de tafel te krijgen en te bekijken welke stappen al ondernomen zijn.’

Moet de overheid een sturende rol spelen in de uitvoering van fair practice, bijvoorbeeld door vaste tarieven op te leggen of staatssteun te verbinden aan voorwaarden? ‘Voor alle structurele en projectdossiers vragen we nu al om te voldoen aan cao’s en vaste bedragen’, zegt De Vos, ‘dus zeker gesubsidieerde organisaties zouden zich daarvan bewust moeten zijn. Ook bij ons noodfonds zullen ze moeten verantwoorden waarvoor ze het geld willen inzetten. Of we ook echt vaste tarieven voor kunstenaarshonoraria zullen opleggen, kunnen we nog niet zeggen.’

‘Om iedereen in deze sector correct te betalen voor zijn creatietijd zou je het cultuurbudget toch minstens moeten verdubbelen?’

Liénard juicht toe dat er over eerlijke verloning wordt gesproken, maar wijst op één cruciaal hiaat: er is te weinig geld voor. ‘Om iedereen in deze sector correct te betalen voor zijn creatietijd zou je het cultuurbudget toch minstens moeten verdubbelen?’ En dus is het uitkijken naar geldbronnen. Een populair systeem is de tax shelter, waarmee alleen al de podiumkunsten in 2019 meer dan 30 miljoen aan middelen uit de markt hebben gehaald. ‘Maar nu bedrijven in geldnood zitten, komt de tax shelter misschien in het gedrang’, denkt Liénard. Of niet?

‘In de Kamer ligt een wetsvoorstel klaar om uitbreidingen van de tax shelter te faciliteren’, antwoordt De Vos. ‘Zo zouden termijnen verlengd kunnen worden en middelen die al opgehaald zijn meeschuiven met een uitgestelde productie.’

Wordt de tax shelter ook voor individuele kunstenaars opengesteld, zoals de Visienota opwerpt? ‘Het systeem is nu zo complex dat je daarvoor als individu een tussenstructuur zou nodig hebben. Daarvan bestaan er al enkele, maar die hebben nog geen volledig traject doorlopen. Pas als dat gebeurd is, bekijken we of we voldoende middelen uit de markt kunnen halen om het systeem uit te breiden naar individuele kunstenaars.’

‘Zonder kunstenaars geen kunst, maar zonder ondersteunende actoren ook niet.’

Ondertussen roept De Vos op tot verdere dialoog met de sector. ‘Zonder kunstenaars geen kunst, maar zonder ondersteunende actoren ook niet. Tijdens deze crisis hebben we geleerd dat we elkaar onvoldoende kennen, en eigenlijk niet beseffen wat het betekent om bijvoorbeeld een cultuurcentrum te runnen. Laten we die kennis delen. Het bewustzijn van de vele vragen en behoeften is aanwezig bij ons, we zullen daar de komende tijd samen aan moeten werken. Wij staan open voor gesprekken met eender wie om het beleid verder vorm te geven.’