Het wel en wee van de (Culturele) New Deal

Door Evelyne Coussens, Geert Buelens, Michiel Vandevelde, op Sun Sep 20 2020 22:00:00 GMT+0000

Deze zomer lanceerde hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde Geert Buelens het idee van een ‘Culturele New Deal’. Buelens pleit voor een cultuursector die zijn talenten ten dienste stelt van de gemeenschap, in ruil voor een overheidsloon. En passant maakt dit tewerkstellingsprogramma een eind aan de precariteit en het interne concurrentiedenken. Choreograaf Michiel Vandevelde heeft bedenkingen bij dat plan, Geert Buelens reageert.

De Culturele New Deal (maar ook bijvoorbeeld de Green New Deal van Alexandria Ocasio-Cortez en de New New Deal van Hans Obrist) haalt de mosterd bij Franklin Roosevelts New Deal, een ambitieus herstelprogramma dat een antwoord moest bieden op de Grote Depressie die Amerika sinds 1929 in zijn greep hield. Hart van het programma was een tewerkstellingsproject waarbij werknemers hun skills een aantal uur per maand ten dienste stelden van de gemeenschap, en daarvoor van de overheid een loon ontvingen. Ieder werkte naar eigen mogelijkheden: arbeiders legden wegen en bruggen aan, muzikanten gingen kinderen muziekles geven, schrijvers tekenden de verhalen op van hun streek. Zo bleven ze uit de armoede én droegen ze bij aan de wederopbouw van het land.

Nu de coronapandemie de cultuursector op haar grondvesten doet daveren ziet Buelens die crisis als een momentum om de organisatie van de sector grondig te herdenken.

Nu de coronapandemie de cultuursector op haar grondvesten doet daveren ziet Buelens die crisis als een momentum om de organisatie van de sector grondig te herdenken. ‘Als de overheid tijdelijk kunstenaars in dienst zou nemen, zou niet alleen hun bestaansonzekerheid worden opgeheven, we zouden ook een reeks maatschappelijke problemen kunnen aanpakken waar we nu maar geen oplossing voor lijken te kunnen of willen vinden.’

Net zoals in 1935 zouden muzikanten in dienst van de overheid hun talenten kunnen inzetten om muziekles te geven, acteurs en schrijvers zouden kinderen kunnen voorlezen of warm maken voor verhalen, fotografen en journalisten zouden de kronieken van hun streek kunnen optekenen.

De Culturele New Deal zou kortom niet alleen komaf maken met de groeiende ongelijkheid en het moordende concurrentiedenken binnen de sector, maar zou ook een wijdverspreide maatschappelijke meerwaarde opleveren. Tijdens een cultuurdebat eind augustus in stadstheater NTGent lanceerde Dominique Willaert van de sociaal-artistieke organisatie Victoria Deluxe een soortgelijk voorstel, om per provincie 300 kunstenaars twee jaar lang een vast inkomen te geven. ‘Het zou 1500 kunstenaars bestaanszekerheid garanderen, maar hen ook aanzetten om zich te heroriënteren, opdat ze niet alleen de zalen maar ook de periferie opzoeken.’


Een Culturele New Deal zonder grond

Choreograaf, curator en schrijver Michiel Vandevelde heeft enkele bedenkingen bij het statement van Geert Buelens

Het prikkelende voorstel van Buelens voor een ‘Culturele New Deal’ stemt tot nadenken. Eerder lanceerde ook Hans Ulrich Obrist een gelijkaardig voorstel voor een ‘New New Deal’ in het Verenigd Koninkrijk. Beide heren refereren aan de ‘New Deal’, een programma opgezet in de jaren 1930 door president Roosevelt. Als gevolg van de tanende Amerikaanse economie na de beurskrach van 1929 werkte Roosevelt een plan uit voor een alomvattende economische relance.

Michiel Vandevelde ©dannywillems

Vandaag daveren ook bij ons, ten gevolge van COVID-19, alle sectoren op hun grondvesten. Dat we nog maar aan het begin staan van de economische gevolgen van de pandemie staat buiten kijf. Velen hopen dat deze crisis wordt aangegrepen om een systeemverandering te bewerkstelligen. De verregaande economische gevolgen van COVID-19 leidt Buelens tot een pleidooi voor een nieuw masterplan om kunstenaars en culturele instituties financieel te ondersteunen. De vraag is echter of een al te generalistisch pleidooi voor een ‘Culturele New Deal’ het juiste antwoord is op de huidige crisis.

1) De evidente kritiek: 2020 is 1930 niet. Europa is Amerika niet. Roosevelts New Deal moet gesitueerd worden in een land en periode waarin amper overheidsondersteuning bestond voor mensen zonder werk (waaronder veel kunstenaars) of voor sectoren die economisch altijd kwetsbaar zijn (publieke of semi-publieke diensten). Onder Roosevelt groeide het overheidsbeslag, al probeerde hij dat bij het begin nog binnen de perken te houden, maar tijdens de Tweede Wereldoorlog (ook het einde van de New Deal) steeg het overheidsbeslag verder en volgde men een meer keynesiaanse benadering, waarbij investeringen in het publieke domein de economie moesten aanzwengelen.

Het is onduidelijk over welk geografisch gebied Buelens uitspraken doet: België en/of Nederland? Europa? West-Europa? Als we specifiek kijken naar de context van België zien we een groot overheidsbeslag én tal van mechanismen om diverse beroepen, waaronder ook kunstenaars, te ondersteunen. Zo is er het kunstenaarsstatuut, zijn er premies voor zelfstandige kunstenaars, subsidies voor kunstenorganisaties, moet bij grote bouwwerven een bepaald percentage van de investering naar een kunstopdracht gaan…

Fundamenteel zet een pleidooi voor een alomvattende New Deal weinig zoden aan de dijk in een context waarin al veel bestaat én er nog weinig rek zit op het overheidsbeslag.

Je zou kunnen stellen: er bestaat reeds een masterplan ter ondersteuning van de culturele sector. Specifiek voor de kunstensector is er dan ‘het Kunstendecreet’. Daaraan valt veel te verbeteren en er zijn steeds sociale statuten die tussen de mazen van het net glippen, maar fundamenteel zet een pleidooi voor een alomvattende New Deal weinig zoden aan de dijk in een context waarin al veel bestaat én er nog weinig rek zit op het overheidsbeslag.

De New Deal kan wel inspireren om het een en ander te herbekijken. Wat zijn de voorwaarden voor een kunstenaarsstatuut? Hoe functioneren selectiemechanismen binnen de kunstensector? Hoe kunnen allerhande precaire statuten en organisaties beter beschermd en ondersteund worden?

Deze vragen zijn niet nieuw, ze worden jaar na jaar gesteld. Het antwoord is wat mij betreft eenvoudig: er is geen nood aan nieuw groot masterplan, wel aan meer middelen om de bestaande ondersteuningsmechanismen duurzamer en stabieler te maken (denk maar aan de projectmiddelen), alsook aan middelen om een veelvoud aan nieuwe initiatieven mogelijk te maken.

2) In Obrists plan gaat het in wezen over de economische relance van de kunstensector in Groot-Brittanië, waar de vrijemarktmechanismen sowieso sterker spelen. Buelens’ oproep daarentegen strekt verder dan een economische relance. De Culturele New Deal moet ook een antwoord bieden op de moordende concurrentie binnen de kunstwereld, het herwaarderen van culturele gemeenschapsvormende projecten én het oplossen van allerhande maatschappelijke mistoestanden. Een dergelijk ambitieus en omvattend project roept scepsis op. Buelens’ plan belooft veel, maar blijft tegelijkertijd te algemeen, en staat te los van enige context om echt serieus te nemen.

Het is bijvoorbeeld onduidelijk hoe een Culturele New Deal concreet een antwoord kan bieden op de moordende concurrentie binnen de kunstwereld. De New Deal van Roosevelt zorgde er niet voor dat concurrentiedrang, of breder dan dat, het economische liberalisme in de kunsten werd tegengegaan. Integendeel, het creëerde juist de basisvoorwaarden om kunstenaars te lanceren, waarna ze hun eigen (economische) weg konden gaan. De beteugeling van het economisch liberalisme was niet Roosevelts objectief, noch is het dat van Obrists New New Deal. De idee dat overheidsondersteuning meteen ook betekent dat het economisch liberalisme een halt kan worden toegeroepen lijkt enigszins naïef. Dan zouden we ons nu, na tientallen jaren serieuze overheidsondersteuning voor de culturele sector, reeds in een heel andere economische realiteit moeten bevinden.

3) Buelens’ opsomming van allerlei mistoestanden snijdt in wezen hout. Overheden snoeien in cultuurbudgetten, steeds meer kunstenaars ‘vechten’ voor steeds minder. Mechanismen van vermarkting en commercialisering winnen aan kracht, terwijl de ruimte voor experiment en geestelijke ontwikkeling, los van het nutsdenken, inkrimpt. Maar juist in het licht van die mistoestanden wordt de onmogelijkheid van de deal duidelijk: hoe een ‘anti-neoliberaal’ project realiseren in een politiek landschap waar conservatisme en neoliberalisme een sluitend pact hebben gesloten? Waar ondersteuningsmechanismen steeds verder worden afgebroken? In Vlaanderen krijgen kunstenaars en culturele organisaties weinig (politieke) waardering, hoe kan je van diezelfde politieke klasse dan enig enthousiasme verwachten voor een Culturele New Deal?

4) In Buelens’ voorstel nemen kunstenaars een meer gemeenschapsvormende rol op. Buelens schrijft: ‘In ruil zouden ze hun talenten niet langer exclusief inzetten om hun eigen inzichten en verbeelding te koesteren, maar vooral ook om die van de samenleving te voeden.’ Die retoriek irriteert, want ze gaat voorbij aan de reeds talloze initiatieven van zowel individuele kunstenaars als kunstorganisaties die inzetten op gemeenschapsvormende of emanciperende projecten. Jazeker, er zijn kunstenaars die zich specialiseren in praktijken die hermetisch aanvoelen voor een brede gemeenschap (en daar is mijns inziens niets mis mee) maar er zijn ook talloze kunstenaars die hun praktijk bewust openplooien of ontwikkelen in samenwerking met die gemeenschap. De verknoping tussen kunst en gemeenschap zal steeds een opdracht blijven en is verre van ‘volledig’ of ‘inclusief’, maar het populistische verwijt dat kunstenaars alleen begaan zijn met hun autonomie gaat voorbij aan de concrete realiteit van het kunstgebeuren vandaag.

5) Nog los van de vraag naar de wenselijkheid daarvan worden organisaties en kunstenaars reeds vandaag al in toenemende mate geconfronteerd met de vraag van overheden of instanties om te beantwoorden aan hun concrete maatschappelijke agenda’s. Dat hoeft niet altijd verkeerd te zijn; zo lanceerde Brussel deze zomer ‘Staycation BXL’ een projectoproep gericht op het organiseren van extra activiteiten tijdens de zomer, ter ondersteuning van de Brusselse culturele organisaties én de Brusselse bevolking die het niet was toegestaan om te reizen.

Maar gemeenschapsvorming kan ook eng-ideologisch worden ingevuld. Op dit moment wordt in Vlaanderen het Kunstendecreet hertekend, onder impuls van een regering die als ‘centrumrechts’ kan worden bestempeld en in een context waarbij een eerder eng begrip van de (Vlaamse) identiteitsbeleving wordt gepropageerd. ‘Gemeenschapsvorming’ wordt als een belangrijk begrip naar voren geschoven, waarbij (voorlopig) in het midden wordt gelaten hoe het juist geïnterpreteerd moet worden. Maar hoe lang zal dat begrip de komende jaren nog open blijven?

In een dergelijke politieke context bedank ik voor ieder pleidooi waarbij kunstenaars en kunstbeleving worden geïnstrumentaliseerd.

We kunnen de komende jaren een verdere destabilisering verwachten van het pluraliteitsdenken, onder toenemende druk van extreemrechts. In een dergelijke politieke context bedank ik voor ieder pleidooi waarbij kunstenaars en kunstbeleving worden geïnstrumentaliseerd. Het is niet zozeer die instrumentalisering an sich die me tegen de borst stuit, maar de politieke context waarin een dergelijke notie grond krijgt. De invulling van het woord ‘gemeenschapsvorming’ kan gevaarlijk zijn in deze gepolariseerde tijden.

Het is kortom jammer dat de Culturele New Deal zo weinig contextspecifiek is gedacht, en zo veel belooft in algemene termen. Buelens’ voorstel verraadt vooral een gebrek aan inzicht in het beleid dat reeds bestaat en dat zeker vatbaar is voor verbetering. Vruchtbaarder zou geweest zijn om binnen deze gegeven beleidscontext te komen met een voorstel over hoe het anders, en zeker beter, kan.


Grondverzakkingen

Geert Buelens las Michiel Vandevelde’s brief en antwoordt waarom het status-quo verdedigen in tijden van crisis geen optie kan zijn.

Op het eind van zijn tekst stelt Michiel Vandevelde dat mijn voorstel te weinig contextspecifiek was en te algemeen. Dat klopt natuurlijk. Het verscheen dan ook in Knack, een blad voor een algemeen publiek, en niet in een meer gespecialiseerd en op de culturele sector gericht medium als rekto:verso. Heel fijn dus dat rekto:verso mij nu de mogelijkheid biedt om extra toelichting te geven en ook in te gaan op de punten van kritiek van Vandevelde. Ik doe dat deels als wetenschapper (die onderzoek doet naar het cultuurbeleid onder Roosevelt, maar ook naar de impact van de COVID-19-crisis op het Nederlandse boekbedrijf), maar ook als iemand die als dichter en essayist al zo’n 25 jaar deel uitmaakt van het culturele veld.

Geert Buelens

Toen de COVID-19-crisis ons halverwege maart in een lockdown dwong, verschenen er al snel grote stukken waarin ‘het einde van een tijdperk’ werd afgekondigd. Nu zou er een nieuwe wereld komen, met aandacht voor de zorgsector en het onderwijs. Eindelijk zouden we ons van het neoliberalisme weten te ontdoen, de markt zou zich terugtrekken, de staat zou weer durven regeren. En eindelijk zou dit virus ons doen beseffen dat onze omgang met de natuur drastisch moet veranderen en dat we de klimaatcrisis onverwijld moeten aanpakken. Uiteraard hadden die stukken vaak een hoog utopisch gehalte. Dat neemt echter niet weg dat het steeds duidelijker wordt dat een terugkeer naar de wereld van voor corona nog heel lang op zich zal laten wachten. Meer nog: de kans dat die wereld terugkomt is uiterst klein.

Wat mij in maart opviel in de reacties van de culturele wereld was het conservatisme.

Los van de vraag of die wereld kan en zal terugkomen, lijkt de vraag toch echter vooral te moeten zijn of we dat wel willen. Wat mij in dat opzicht in maart opviel in de reacties van de culturele wereld was het conservatisme. Uiteraard wilden artiesten en organisaties ondersteuning om de eerste storm te doorstaan. Maar ik had verwacht dat vanuit die sector ook stemmen zouden weerklinken die om een reset zouden vragen. Een sector die van het in vraag stellen van bestaande kaders en zekerheden al decennialang haar keurmerk (en haar verkoopsargument in subsidiedossiers en seizoensbrochures) maakt, leek nu zo snel mogelijk business as usual te willen. Maar wilde men echt terug naar de culturele wereld van vóór corona?

Dat een progressieve kunstenaar met ‘argwaan’ reageert op een ‘ambitieus en omvattend project’ is merkwaardig conservatief

Michiel Vandevelde blijkbaar wel. Het huidige systeem is uitstekend, er is alleen nog meer geld nodig om alles stabieler te maken. Nu begrijp ik uiteraard dat stabiliteit heel aantrekkelijk kan zijn. Alleen: die stabiliteit is (economisch, politiek, medisch en cultureel) verdwenen en ze zal ook niet snel terugkomen. Dat een progressieve kunstenaar dan met ‘argwaan’ reageert op een ‘ambitieus en omvattend project’ is merkwaardig conservatief en gezien de stand der dingen misschien nog wel wereldvreemder dan Vandevelde mij verwijt te zijn.

Hieronder ga ik in op de 5 punten uit zijn betoog.

1) Waarom een ‘groots masterplan’ als ‘meer middelen’ kunnen volstaan? Omdat meer middelen alleen het verschil niet gaan maken. Dat doen ze misschien wél als je gelooft in het trickle down-effect (als de economie groeit, komt het extra geld ook altijd terecht in de onderste geledingen van de samenleving), maar daarin geloven zelfs liberale economen niet meer.

Uiteraard zou een grotere projectenpot meer kansen bieden voor jonge artiesten. Maar gaat dat de wezenlijke ongelijkheid die er vandaag heerst veranderen? Gaat dat de situatie veranderen waarin – ik spreek nu even vanuit mijn eigen sector – lay-outers, drukkers en boekhandelaren kunnen leven van hun baan en de auteurs die grondstof leveren voor die baan veelal enkel kunnen dromen van een leefbaar inkomen? In steeds meer sectoren zijn vaste contracten voorbehouden aan ondersteunend personeel en zijn de makers freelancers (in Nederland: zelfstandigen zonder personeel) die slechts anderhalve verkoudheid verwijderd zijn van de bedelstaf. Uit een rapport van de Raad voor Cultuur en de Sociaal-Economische Raad bleek in 2017 dat in Nederland twee op de vijf componisten rond de armoedegrens schommelen; ruim de helft van de beeldend kunstenaars verdient minder dan 10.000 euro per jaar.

2) Het is, aldus Vandevelde, ‘naïef’ om te denken dat ‘overheidsondersteuning betekent dat het economisch liberalisme een halt kan worden toegeroepen.’ Mocht dat wel het geval zijn dan zouden we ons na ‘tientallen jaren serieuze overheidsondersteuning voor de culturele sector, reeds in een heel andere economische realiteit moeten bevinden.’

Ongetwijfeld ben ik naïef, maar zo naïef ben ik inderdaad niet. Wat Vandevelde me in de mond legt heb ik dan ook nergens beweerd. Natuurlijk heeft de overheidssteun die tijdens de New Deal aan kunstenaars als Jackson Pollock en Mark Rothko of schrijvers als Saul Bellow en Lorine Niedecker werd gegeven niet het einde van Hollywood betekend. Dat was toen niet het punt en dat is het vandaag evenmin.

Toen ging het erom kunstenaars (letterlijk) te laten overleven en hun de mogelijkheid te bieden hun ambacht en vaardigheid als schilder, muzikant of acteur betaald te onderhouden, zolang ze zich op de vrije markt niet konden handhaven. Vandaag kunnen veel artiesten niet of nauwelijks optreden of worden ze geacht dat te doen in coronaproof-omstandigheden die hun arbeid ten enenmale onrendabel maken. Structurele ondersteuning zou hen in staat stellen hun vakmanschap op peil te houden en tegelijk – omdat ze ingezet worden in educatieve of sociale projecten – voorkomen dat ze het gevoel krijgen van liefdadigheid afhankelijk te zijn. De Culturele New Deal werd expliciet gepresenteerd als een tijdelijke oplossing, met hopelijk blijvende effecten. In steeds toenemende mate ontwikkelde de culturele sector zich deze eeuw immers tot een variant van het neoliberale bestel waarin een heel kleine minderheid (de zogenaamde één procent) verdrinkt in het geld en de rest (de zogenaamde 99%) zich zeven slagen in de rondte moet werken om rond te komen.

Behalve hard werken moeten de kunstenaars zich ook doorlopend verantwoorden en plannen schrijven om de subsidies die ze hopen te krijgen te rechtvaardigen. Er gaat ongelooflijk veel tijd op aan het formuleren van plannen die – zoals iedere creatieve geest weet – altijd in hoge mate fictief zijn; wat een boek, een voorstelling, een film écht wordt, valt in geen dossier te voorspellen. Toch blijft iedereen in die farce meedraaien, omdat er geen andere weg lijkt te zijn. Wanneer kunstenaars en andere creatieve geesten een wezenlijk deel van hun inkomen zouden verdienen door bij te dragen aan educatieve en sociale projecten zouden ze de rest van hun tijd pas écht autonoom kunnen gebruiken.

Wanneer kunstenaars een wezenlijk deel van hun inkomen zouden verdienen door bij te dragen aan educatieve en sociale projecten zouden ze de rest van hun tijd pas écht autonoom kunnen gebruiken.

De gigantische ongelijkheid die vandaag bestaat in de artistieke sector zou er uiteraard niet volledig door weggewerkt worden, en de sterrencultus zal er evenmin spontaan door verdwijnen, maar een Culturele New Deal zou wel een ander normenkader vooropstellen, eentje waarin samenwerking, het beperken van de ecologische voetafdruk en inclusiviteit centrale waarden zijn en erkenning niet alleen wordt afgemeten aan het aantal uitnodigingen door bekende festivals en biënnales, maar ook aan de graad van verankering in lokale gemeenschappen.

3) ‘Hoe een “anti-neoliberaal” project realiseren in een politiek landschap waar conservatisme en neoliberalisme een sluitend pact hebben gesloten?’ Dat is inderdaad allerminst vanzelfsprekend. Maar kijk: de coronacrisis heeft gezorgd voor een graad van overheidssteun en -investeringen die in de voorgaande neoliberale decennia nauwelijks voorstelbaar was. Allerlei sectoren worden door de staatskas overeind gehouden, deels ook de culturele. Een New Deal zou kunstenaars echter geen vorm van werkloosheidsuitkering bieden, maar een salaris voor gedane arbeid.

Het klopt dat, zoals Vandevelde schrijft, culturele instituties en kunstenaars in een neoliberaal bestel op weinig politieke waardering kunnen rekenen. Dat geldt in het nog veel neoliberalere Nederland nog veel meer; sinds de doortocht van staatssecretaris Halbe Zijlstra is het beschimpen van kunstenaars er zoals bekend een populaire rechtse hobby geworden. En toch is in dat land een concreet onderdeel van wat ik in mijn Culturele New Deal-pleidooi had voorgesteld de afgelopen maanden met overheidsmiddelen gerealiseerd.

Nadat enkele collega’s en ik, ondersteund door 250 schrijvers, performers en acteurs en belangrijke leesbevorderingsorganisaties in de Volkskrant hadden voorgesteld om het talent van door corona opdrachtloos geworden woordkunstenaars in te zetten om een leesoffensief op te zetten en het gevecht met de schrikbarend toenemende laaggeletterdheid en ontlezing aan te gaan, maakte Den Haag een budget vrij om dat daadwerkelijk te proberen. Dankzij het project Taalbaas hebben meer dan 80 schrijvers en performers een zomer lang online lees- en schrijf- en rapsessies gehad met middelbare scholieren.

Uiteraard maakt één Taalbaas nog geen New Deal, maar het illustreert wel hoe het koppelen van twee problemen (thuiszittende artiesten en leesonwillige of taalbevreesde scholieren) tot een andere dynamiek kan leiden. Niemand weet hoe de wereld er na corona zal uitzien, maar pilootprojecten en de ontwikkeling van creatieve ideeën kunnen ons scripts bezorgen waarmee we straks een ander verhaal kunnen schrijven.

4) Vandeveldes vierde punt van kritiek was dat deze Culturele New Deal een vorm van populisme is die de autonomie van de kunstenaar aantast en die miskent hoeveel kunstenaars vandaag al doen in en met de gemeenschap. Zeer zeker gebeurt er vandaag veel meer dan mijn bewust polemische tekst liet uitschijnen. En inderdaad, niet bij elke kunstvorm en elke kunstopvatting past een vorm van sociaal werk. Zoals Vandevelde schrijft: ‘er zijn kunstenaars die zich specialiseren in praktijken die hermetisch aanvoelen voor een brede gemeenschap (en daar is mijns inziens niets mis mee)’.

Als iemand die al zijn hele schrijversleven achtervolgd wordt door het verwijt hermetische gedichten te schrijven kan ik het hier uiteraard alleen maar mee eens zijn. Alleen: ik schrijf die gedichten in mijn eigen tijd en ik verdien mijn geld door jongeren te onderwijzen. En heel veel muzikanten en schilders en acteurs doen dat met mij. Hun (en mijn) financiële situatie is nu dan ook onvergelijkbaar en veel minder precair dan die van mensen die volledig van de vrije markt of volledig van projectsubsidies afhankelijk zijn.

Als je echter een – naar de norm onder Roosevelt – "loodgieterssalaris" zou krijgen om (via onderwijs of sociaal-maatschappelijke projecten) bij te dragen aan de maatschappij en dan de rest van je tijd aan je eigen werk mag besteden – wordt er dan niet veel onrust en onzekerheid weggenomen? Zorgt dat niet precies voor de stabilisering waar Vandevelde om vraagt? Zo’n 96 uur per maand werden kunstenaars verwacht voor de overheid te werken tijdens de New Deal. Iets meer dan twee normale werkweken dus, maar er zijn zat schrijvers en kunstenaars die nu 96 uur per week werken en nog niet kunnen rondkomen. In een New Deal-scenario zouden zij meer verdienen én veel meer tijd overhouden voor hun eigen werk.

5) ‘De invulling van het woord gemeenschapsvorming kan gevaarlijk zijn in deze gepolariseerde tijden.’ Hiermee snijdt Vandevelde een belangrijk punt aan waar ik het in hoge mate mee eens ben. Overigens gold dat bezwaar in de jaren 1930 ook. Critici van het culturele luik van de New Deal vonden en vinden dat dit project te nationalistisch was. En waar Vandevelde en vele kunstenaars met hem vandaag bang zijn voor een te rechts beleid, gold de New Deal in de niet minder gepolariseerde jaren dertig als te links. Het is een illusie om te denken dat de kunsten ooit echt vrij kunnen zijn, zonder enige vorm van ideologische sturing of controle.

Maar inderdaad, de situatie vandaag gaat verder en is in dat opzicht dus ook gevaarlijker dan in voorgaande decennia.

Echter: als ook Vlaamse partijen full Orbán zouden gaan (wat helaas niet uitgesloten is), zal het met de autonomie van de (gesubsidieerde) kunsten sowieso voorbij zijn. Maar is het denkbaar dat het draagvlak voor die partijen en benadering afneemt wanneer kunstenaars niet meer als subsidieslurpers weggezet worden omdat ze zichtbaar bijdragen aan het aanpakken van maatschappelijke problemen?

Tot slot:

Uiteraard zijn er allerlei haken en ogen aan mijn voorstel. Uiteraard kan het niet zonder slag of stoot worden ingevoerd. Uiteraard zit het politieke klimaat niet mee. Maar heeft dat AOC ervan weerhouden een campagne voor een Green New Deal te starten? Is het niet ook aan de kunstenaars om bestaande structuren in vraag te stellen? Kan het antwoord op de huidige crisis echt zijn: ik wil graag het status quo bewaren maar dan liefst met enkele miljoenen erbij?


Verder denken? Op maandag 21 september gaat Geert Buelens op vraag van het Antwerpse UCSIA om 17u online in gesprek met juriste Yasmine Kherbache en kunstenaar Danny Devos, over het statuut van de kunstenaar en de nood aan overheidsondersteuning.