De smalle portemonnee van Theater Aan Zee

Door Wouter Hillaert, op Wed Jul 31 2019 22:00:00 GMT+0000

Zo gul theater kan zijn op scène, zo krap gaat het er vaak aan toe in de coulissen. Zeker op (zomer)festivals werken veel artiesten en medewerkers op de limiet – of eronder. Uitbuiting? Elke discussie over waardige vergoedingen moet ook het grotere plaatje in rekening nemen: het huishouden van festivals zelf. Neem TAZ. Met zijn gecontesteerde vergoedingen voor jonge makers, zijn groeiend aandeel vrijwilligers en zijn continue zoektocht naar extra geld is het Oostendse festival het hele kunstenveld in het klein.

Festivals zijn de porseleinwinkel van de fair practice, het principe om iedereen waardig te betalen. Vijftig Nederlandse festivals gaven dat in juni in een open brief aan de Tweede Kamer ook zelf toe: ‘Fair practice is in onze sector momenteel deels een utopie’.

Dat festivals op korte tijd veel theater of muziek in de etalage zetten voor best veel publiek, maakt hen even kwetsbaar als machtig. Ze hebben vaak meer artiesten en medewerkers te vergoeden en te cateren dan hun budget aankan, maar kunnen ook hun fijne sfeer en grote zichtbaarheid in de weegschaal leggen om bij iedereen extra goodwill te bedingen om onder de prijs te gaan.

Ook Theater Aan Zee heeft op dat vlak geen stralende reputatie, zeker niet wat zijn fees voor jonge makers betreft. Jarenlang speelden niet enkel toneelstudenten, maar ook beginnende makers hun geselecteerde creatie een week lang voor een vrijwilligersvergoeding van 25 € per dag, plus gratis eten en verblijf.

'Op TAZ wordt bijna standaard op van alles beknibbeld, en pas je uiteindelijk zelf het verschil bij.'

‘Daarmee geeft een festival dat zich profileert als hét podium voor startende makers, eigenlijk een heel rare boodschap: gratis is de norm en sociale rechten een utopie.’ Karlien Vanhoonacker van Kunstenwerkplaats De Pianofabriek, incubator voor veel pril werk, wijst op de sociale uitsluiting achter dat principe: ‘Als je nog op school zit en gesteund wordt door je ouders, is gratis spelen nog haalbaar, maar als je niet uit zo’n middenklassengezin komt of zelf al kinderen hebt, krijg je dat thuis niet uitgelegd: tien dagen weg voor niets.’

Daarom stond Vanhoonacker er vorig jaar bij TAZ op dat alle spelers van de geselecteerde voorstelling If there weren’t any blacks betaald zouden worden volgens de cao podiumkunsten. ‘De opbouw en de generale rekenden we niet aan, maar dat was het minimum waarvoor ik ruzie ben gaan maken. Voor Nona Buhrs, een van de spelers, kwam dat bijvoorbeeld neer op 97,5 € netto voor twee shows per dag, met vier jaar anciënniteit. Die verhoogde verloning betekende wel dat de voorstelling niet meer als Jong Theater Werk in aanmerking kon komen voor de TAZ-KBC Jongtheaterprijs, maar daar konden we best mee leven.’

Toen Hans Beckers in 2012 immers de Jongmuziekprijs won en zo een deel productiebudget kreeg voor zijn volgende creatie, bleek die prijs uiteindelijk ook al zijn fee te zijn voor de editie daarop. ‘En zo wordt er op TAZ bijna standaard op van alles beknibbeld, en pas je uiteindelijk zelf het verschil bij. Sommige artiesten kunnen daarvoor terugvallen op een productiehuis of een gezelschap, maar voor producties op projectbasis wordt dat algauw een race to the bottom.’

Openingsperformance TAZ 2019 (c) Inge Baes

In die trant vallen over de jongste tien edities van TAZ veel getuigenissen te verzamelen: een productiemedewerker die zich ‘zeer penibele voorwaarden’ herinnert, twee RITCS-studenten die hun hele omkadering zelf moesten voorzien en een volgende selectie prompt afsloegen omdat ze niet meer gratis wilden spelen, productiehuizen die het verblijf van hun geïnviteerde makers zelf moesten ophoesten…

Openingsperformance TAZ 2019 (c) Inge Baes

‘Een dagvergoeding die niet hoger ligt dan een per diem is eigenlijk ontoelaatbaar’, betoogt iemand. ‘Maar steeds werd dat aanbod gepresenteerd als te nemen of te laten, omdat spelen op TAZ toch een gouden kans is voor je carrière.’ In 2016 concludeerde ook de beoordelingscommissie van de Vlaamse Gemeenschap dat het anders moest met die ‘absurd lage financiële bijdragen voor jonge kunstenaars’ op Theater Aan Zee: ‘Het optrekken van het artistieke budget om kunstenaars (jong en oud) correct te verlonen is noodzakelijk. TAZ heeft op dat vlak een reputatie te corrigeren.’

Zowat iedereen is het erover eens dat Theater Aan Zee ondergesubsidieerd is voor zijn schaal. En niet alleen TAZ.

Intussen is die boodschap aangekomen. Het aantal voorstellingen binnen Jong Theater Werk is ingeperkt van ooit zestien tot nu elf, en de dagcontracten voor jonge makers en hun ploeg zijn in 2017 opgetrokken tot 50 €, in 2018 tot 85 € en dit jaar tot 100 €.

Kan het in de toekomst nog beter? Voor een genuanceerd antwoord, ook op de hele discussie rond fair practice, kan de totaalbegroting van TAZ handig zijn. Want zoals (jonge) makers hun rekening rond moeten krijgen, moet ook het festival toveren met inkomsten en uitgaven – net als het hele cultuurveld. Waar liggen de financiële kansen en bedreigingen van kunst presenteren?

Inkomsten

Sinds 2017 krijgt TAZ jaarlijks bijna 340.000 € subsidies van de Vlaamse Gemeenschap. Is dat veel? Dat is meer dan het Het TheaterFestival (250.000 €), maar een pak minder dan het Kunstenfestivaldesarts (990.000 €) of het Festival van Vlaanderen Gent en de Zomer Van Antwerpen (elk ongeveer 500.000 €). Het is ook bijna de helft minder dan de 600.000 € die TAZ zelf aanvroeg bij zijn laatste subsidiedossier in 2015, waarop de commissie een bedrag adviseerde van 450.000 €. Minister Gatz deed daar dus nog eens ruim 100.000 € van af.

Sinds de weggevallen provinciale steun voor het Familiepark draait het festival al enkele jaren 10.000 tot 25.000 € verlies.

Wellicht verklaart dat mee waarom de 250 € die in dat subsidiedossier ingeschreven stond als dagvergoeding voor jong werk, (nog) geen werkelijkheid werd. Zowat iedereen is het erover eens dat Theater Aan Zee ondergesubsidieerd is voor zijn schaal. En niet alleen TAZ. Ook in Nederland vragen de verzamelde festivals met aandrang 3 miljoen extra van de overheid, ‘omdat er zonder deze bijdrage festivals overal in het land gaan wegvallen’.

Vrij uitzonderlijk is wel dat Stad Oostende méér in TAZ investeert dan de Vlaamse overheid: 430.000 €. Vroeger kwam daar ook nog 80.000 € van de Provincie West-Vlaanderen bij, maar daarvan is volgens artistiek leider Luc Muylaert en zakelijk leider Hans Rabaey van TAZ nog niet de helft overgeheveld bij de provinciale hervorming van 2018. ‘Alle geld dat we vroeger voor het Familiepark ontvingen uit de provinciale pot Welzijn, is in rook opgegaan.’

'De Koning Zonder Schoenen', 4Hoog in Familiepark, 2018 (c) Lien Robberechts

En omdat TAZ nu boven de grens van 300.000 € subsidies uitkomt, kan het ook geen extra geld meer aanvragen bij bijvoorbeeld het Vlaams Fonds voor de Letteren voor zijn literaire luik. ‘Als je dat allemaal samentelt, is onze Vlaamse subsidieverhoging eigenlijk een nuloperatie geweest’, stelt Rabaey. ‘Het Familiepark betalen we nu volledig zelf, maar dat laagdrempelige aanbod is een serieuze hap uit het budget, omdat daar nauwelijks ticketinkomsten tegenover staan.’

En net die ticketinkomsten vormen naast 40% subsidies de noodzakelijke goudader van het festival. Vorig jaar waren ze goed voor 20% van de inkomsten, dit jaar wil TAZ dat aandeel optrekken naar bijna 25% (van 430.000 € naar 521.000 €). Daarvoor zijn voor 2019 maar liefst 15.000 méér betalende zitjes gecreëerd dan in 2018. Op één jaar tijd springt TAZ dus van 45.000 naar 60.000 betaalde tickets, goed voor een verhoopte extra verkoop van 90.000 €.

Het klassieke sponsormodel, met baar geld in ruil voor zichtbaarheid, is nagenoeg voorbij.

Zijn er dan echt geen grenzen aan de groei? Zou TAZ niet beter wat inkrimpen om zo meer over te houden voor zijn artiesten? ‘Dat maakt totaal geen verschil’, rekent Muylaert. ‘Want per productie lopen inkomsten en uitgaven gelijk op. En hoe kleiner je festival, hoe meer sponsors dreigen af te haken. Bovendien kregen we vorig jaar de kritiek dat er te weinig tickets waren voor dagjesmensen, dus daar komen we nu aan tegemoet.’

Er zijn niet zozeer veel meer voorstellingen, maar vooral meer zitjes per voorstelling. ‘We maximaliseren het aantal voorstellingen op grote locaties als De Grote Post en het Kursaal’, aldus Rabaey. Meer volk betekent immers ook meer verkoop van drank en maaltijden. Tussen 2016 en 2018 zijn die inkomsten op Café Koer met 35% gestegen tot 310.000 €.

Rest nog de laatste grote inkomstenpost: sponsoring. Als geen ander weet TAZ via bedrijven extra middelen uit de markt te halen. In 2017 en 2018 ging het om 265.000 € per jaar. Muziek in de oren van liberale politici? Rabaey benadrukt hoeveel energie die inkomsten kosten. ‘Eigenlijk ligt niemand wakker van cultuur, omdat je met sport honderd keer meer visibiliteit bereikt. Dat maakt onze cultuursponsoring niet afdwingbaar: je moet continu gaan verdedigen dat cultuur wel impact heeft.’

Sponsors werven is dan ook steeds tijdrovender geworden, vult Muylaert aan. ‘Onze businessclub – met voordeelpakketjes van 500 euro voor ondernemingen – is afgelopen jaar wel met 20% gegroeid, maar daarvoor ben je wel bij elke kleine zaak in de regio anderhalf uur gaan praten. Je kan ook niet werken met derden, je moet het zelf doen. Het is jouw netwerk en jouw ervaring over hoe je in elk bedrijf het beste geïntroduceerd wordt.’

'Met onze minimale personeelsbezetting hebben zelfs geen tijd voor een burn-out.'

Sponsors zijn bovendien veeleisender geworden. Het klassieke sponsormodel, met baar geld in ruil voor zichtbaarheid, is nagenoeg voorbij. ‘Sponsors willen nu liever thematisch investeren, maar dat betekent dat je wel elk jaar opnieuw harder moet gaan negotiëren.’ Meer en meer gaan bedrijven voor business-to-customer, bijvoorbeeld met een receptie voor hun upscale-klanten. Muylaert stopt daar als artistiek leider tijdens het jaar één derde van zijn tijd in, en tijdens het festival zelfs de helft, ook in het opvangen van subsidiënten. ‘Voortdurend moet je persoonlijk blijven investeren in de toekomst van je middelen.’

Daarom had TAZ gehoopt om vanaf 2017 extra mensen te kunnen aanwerven om de zakelijke en artistieke leiding te ontlasten van andere taken, maar daarin is de overheid niet meegegaan.

‘Ik heb ik me toen heel kwaad gemaakt’, weet Rabaey nog. ‘Er is zeker nog potentieel om meer middelen uit de markt te halen en zo bijvoorbeeld artiesten beter te betalen, maar dat komt niet zomaar uit te lucht vallen. Daar moet je als overheid eerst extra in investeren. Geef ons 1 € meer en we zullen 2,5 € meer genereren. Maar nu werkt iedereen hier al anderhalve keer voor zijn uren. Met zeven personeelsleden voor 5,6 voltijdse equivalenten draaien wij op een minimale bezetting. We hebben zelfs geen tijd voor een burn-out, om zo te zeggen.’

Uitgaven

Met in totaal 900.000 € subsidies realiseert Theater Aan Zee een aardige omzet van bijna 2,1 miljoen inkomsten, maar sinds de weggevallen provinciale steun voor het Familiepark draait het festival toch al enkele jaren 10.000 tot 25.000 € verlies. ‘We hebben wel een spaarpotje, maar dat is heel snel aan het opraken’, aldus Muylaert.

De extra inkomsten uit ticketverkoop gaan immers vooral op aan een stijgende programmatiekost van 416.000 € naar 637.000 € tussen 2016 en 2018, vooral door veel meer podiumaanbod. En zo zijn ook de productiekosten navenant toegenomen: van 600.000 € naar 750.000 €. ‘Anders dan veel andere festivals moeten wij overal zelf locaties inrichten’, aldus Rabaey. ‘Dat kost verschrikkelijk veel geld.’

Nomaden-parcours, TAZ 2018 (c) Radovan Dranga

Voor jonge makers maakt dat misschien weinig verschil, maar TAZ zelf rekent die uitrusting van turnzalen, hangars en conservatoria voor gemiddeld 7.500 à 10.000 € per locatie mee als een belangrijke investering in hun parcours. ‘Elke jonge maker krijgt zijn eigen locatie, en kan daar vollenbak in repeteren en spelen, mét technische ondersteuning. Dat is heel anders dan in onze beginjaren, toen iedereen na elkaar in theaterzaal De Illusie moest spelen. Tel daar alle catering en vervoersonkosten bij, plus twee programmatoren die samen fulltime verloond worden om per jaar 300 jonge creaties te gaan zien, en je komt toch al aan een aardig bedrag dat wij investeren in jong werk.’

Bij Jong Muziek leeft die discussie over fair practice trouwens opvallend minder, stipt Rabaey aan. ‘Daar krijgen acht bands elk 800 € voor elk vier concerten, en die zijn doodcontent. Die verstaan zelfs niet dat ze naast eten, overnachting, vier optredens en een studio-opname ook nog een fee krijgen. Echt gek hoe die mentaliteit per discipline kan verschillen.’

Muylaert vindt dat minder gek. ‘Muziek blijft voor veel muzikanten liefhebberij, terwijl acteren voor acteurs meestal hun broodwinning is. Theater is ook beperkt houdbaar, terwijl muzikanten hun liedjes vijf jaar later nog kunnen spelen. Je kan dat eigenlijk niet vergelijken.’

In 2020 wil TAZ jonge makers volgens de cao gaan betalen, aan ongeveer 220 € per dag.

Hoe dan ook trekt TAZ zijn vergoedingen voor Jong Theater Werk nu dus stelselmatig op. Dankzij een driejarige sponsorovereenkomst met uitzendbureau Amplo – die dit jaar wel afloopt – werd het totaalbudget voor de programmering van jong theater verhoogd van 18.000 € in 2016 tot 35.000 € in 2019, waarbij iedereen ook minimale sociale rechten opbouwt.

In 2020 wil het festival zelfs volgens de cao gaan betalen, aan 220 € per dag. ‘Hopelijk kunnen we onze samenwerking met Amplo dus voortzetten’, aldus Muylaert. ‘Maar sowieso zal die betere verloning er komen. Dat is een principebeslissing met ons bestuur, there’s no way back. We moeten er alleen nog 35.000 € extra voor vinden.’

En de vele technici op het festival? Vaak blijft hun noeste bijdrage onderbelicht. De helft werkt vrijwillig, vooral studenten in opleiding of gepensioneerden. De andere helft wordt ook via Amplo betaald met oplopende vergoedingen naargelang hun betrokken jaren op het festival – van 220 tot 300 € per dag.

Vrijwilligers in de keuken voor alle andere vrijwilligers, 2018 (c) Inge Baes

‘Iedereen krijgt daarnaast drank, eten en overnachting, maar er worden wel geen uren gerekend’, erkent Rabaey. ‘Sommige technici werken wellicht te veel, en sommige edities – zoals vorig jaar – is de globale werkdruk op de technische ploeg te hoog. En dus moeten we die ploeg jaar na jaar uitbreiden.’ Vijf jaar geleden waren er ongeveer vijftig technici op TAZ, dit jaar al tachtig.

Die groeiende afhankelijkheid van vrijwilligers – een tendens in de hele kunstensector – is een dubbel verhaal. Het eigenaarschap en de sociale waaier van maar liefst 400 TAZ-vrijwilligers per dag zorgen voor een sterke maatschappelijke verankering.

Maar dat zij intussen bergen verzetten in alle rangen van het festival, tot en met communicatie en zakelijk beheer, houdt volgens Muylaert ook gevaren in. ‘Op den duur ga je ook voor cruciale taken op vrijwilligers vertrouwen. Zo gebeurt zelfs de coördinatie van al die vrijwilligers bij ons door vrijwilligers. Zij nemen die grote verantwoordelijkheid perfect op, maar als er op een dag iets verkeerd loopt, kan je die mensen absoluut niets verwijten. Dat is de zwakte van zo’n breed gedelegeerd systeem.’

Alle vrijwilligers volgens de cao betalen zou het festival één miljoen meer kosten. Van een kapitaal gesproken.

Alternatieven ziet Muylaert echter niet meteen. Jury, mentoren, keukenpersoneel, locatiebeheerders: alle vrijwilligers volgens de cao betalen zou het festival één miljoen meer kosten. Van een kapitaal gesproken. Zelfs voor een minister of een bank is het onbetaalbaar.

Onbetaalbaar, dat worden echter ook de hotels in Oostende. Of toch voor een zomerfestival dat per nacht tientallen artiesten te slapen moet leggen. Vele medewerkers en jonge makers kunnen nog wel terecht in de onvermijdelijke ‘peda’ aan de Leffingestraat – Oostblok-style aan zee, verboden op het balkon te komen – maar veel andere kunstenaars zijn die studentikoze status intussen ontgroeid.

In hun noodzakelijke nachtrust investeerde het festival in 2017 nog 80.000 €, maar in 2018 ontspoorde die kost ineens tot 102.000 €. ‘Vooral hotelkamers zijn de jongste vier jaar verdubbeld in prijs’, puft Rabaey. ‘Toen bedroeg een vriendenprijs 50 €, nu 100 €. Oostende zit nu eenmaal sterk in de lift, terwijl zijn capaciteit achterloopt. Vanzelf krijg je bij tweesterrenhotels prijzen van 500-600 € per nacht.’

Die prijzenslag noopte TAZ tot een straffe beslissing: voor Vlaamse gezelschappen voorziet het sinds dit jaar geen hotelovernachtingen meer. ‘We kunnen ze gewoon niet langer betalen.’

Eindbalans

Ziedaar fair practice in de kunsten, tien jaar na de bankencrisis en drie decennia na de val van de Muur: zelfs uitrusten van je noeste arbeid wordt noodgedwongen een onderhandeling op het scherpst van de snee. Iedereen probeert zijn stijgende kosten te verhalen op andermans factuur: acteurs bij artistiek leiders, artistiek leiders bij festivaldirecteurs, festivaldirecteurs bij ministers – en zo weer terug.

The Village, TAZ 2019 (c) Ring TV

In principe zijn we het allemaal eens, intussen zelfs de leiding van TAZ: ‘Het minimum voor iedereen die professioneel werkt, zou een verloning volgens de cao moeten zijn.’ Maar waarom blijft dat, ondanks duidelijke stappen vooruit, toch best moeilijk?

'De enige valabele piste die ik zie, is een verdubbeling van onze subsidies.'

Muylaert antwoordt niet alleen voor zijn eigen winkel, maar voor alle festivals – en misschien zelfs voor een hele samenleving: ‘Omdat wij ondergesubsidieerd zijn, terwijl middelen uit de markt heel volatiel blijven. Wat vandaag nog gesponsord wordt, kan morgen evengoed vervlogen zijn. Dat maakt het vrijwel onmogelijk om voor dit festival een financiële langetermijnvisie uit te bouwen. De enige valabele piste die ik zie, is een verdubbeling van onze subsidies – al was het maar om de enorme werkdruk op het vaste team te verlichten en meer als loyale coproducent te kunnen optreden.’

Of hoe de balans van de porseleinwinkel weinig verschilt van de resultaatsrekening van vrijwel iedereen die in de cultuursector werk verzet: licht in het rood tegen een blauwe zee.