Basisinkomen voor kunstenaars?

Door Robrecht Vanderbeeken, op Wed Jun 10 2020 22:00:00 GMT+0000

In zowat elk debat dat je in het kunstenveld voert over de economische positie van de cultuurwerker, duikt vroeg of laat het basisinkomen als geliefkoosd onderwerp op, om met die verzuchting doorgaans ook het debat af te sluiten. Alle problemen opgelost, lijkt het. Robrecht Vanderbeeken, vakbondsverantwoordelijke voor ABVV-ACOD Cultuur vraagt zich dan ook af: gewoon doen?

In het onlinedebat Tuesday Talks on the future of culture#6, een initiatief van Kunstenpunt, State of the Arts en rekto:verso, werd dat idee van het basisinkomen nog concreter gemaakt: laten we alleen voor kunstenaars een basisinkomen invoeren. Over de weg die we moeten afleggen om het gerealiseerd te krijgen, ging het vrijwel niet. Terloops viel de opmerking dat de vakbonden hier tegen zijn.

In vakbondsmiddens klinken inderdaad veel sceptische stemmen over dit thema, maar een vakbondsvertegenwoordiger was tijdens dat gesprek niet aanwezig. Dat maakt ruimte voor een nabeschouwing.

Een oude droom

Uiteraard is het universele basisinkomen (UBI) een knap idee dat erg uitnodigend werkt, toch zeker wat het stimuleren van het denken over de socio-economische organisatie van ons samenleven betreft. Van onder andere Thomas More zijn Utopia, Bertrand Russell, Philippe van Parijs, André Groz, Guy Standing tot Paul Mason en Rutger Bregman: ze hebben met vuur de voordelen van dit veelzijdige idee verdedigd.

Het basisinkomen is ook meer dan een utopisch idee: in tijden van een aanhoudend neoliberaal offensief biedt het progressieve mensen de kans om zich niet alleen defensief op te stellen – en dus aan te geven wat we allemaal niet willen – maar zelf terug het debat te voeren over wat ze dan wél willen. Het debat over deze alternatieven prikkelt niet alleen het maatschappelijk bewustzijn en de verbeelding, het is ook een magneet inzake mobilisatie. Precariteit uitroeien en iedereen het nodige geven om te kunnen overleven: wie kan daar nu tegen zijn?

Precariteit uitroeien en iedereen het nodige geven om te kunnen overleven: wie kan daar nu tegen zijn?

Dat brengt ons bij de inzet van het debat: helpt dit idee ons daadwerkelijk vooruit? Dat hangt volledig af van de manier waarop we dit idee willen implementeren. De context dus. UBI kent rechtse en linkse versies. President Richard Nixon en het neoliberale boegbeeld Milton Friedman waren fan: geef via een negatieve inkomstenbelasting iedereen die het moeilijk heeft een (te klein) zakje geld en schaf in ruil de publieke dienstverlening en de sociale ondersteuningen af.

Als ruk naar rechts kan dat tellen: het maakt van mensen consumenten die met hun centje de vrije markt op moeten – bijvoorbeeld in de gezondheidszorg, waar die zorg onbetaalbaar wordt als er geen publieke alternatieven zijn. Als ze daarmee niet rondkomen, is het hun eigen schuld. Logisch dat veel mensen sceptisch zijn: er rolt al een neoliberale pletwals over ons heen. We hebben zoveel te verliezen waar decennia sociale strijd voor is gevoerd en in tijden van coronacrisis is de hoogdringende herfinanciering van de sociale zekerheid dé olifant in de kamer.

Wie nu de geesten kneedt voor een basisinkomen moet er dus over waken dat deze goede bedoelingen niet als een boemerang terugkomen. Ook: als we zo’n herverdeling van de rijkdom willen, moeten we dan eerst niet veel meer de oorzaak van de stijgende ongelijkheid in het vizier nemen?

Bonus voor de vakbond

Het UBI kent ook een verdedigbare, linkse versie: voer een degelijke basisvoorziening in onder de voorwaarde dat er geen afbraak van publieke of sociale voorzieningen tegenover staat. Weliswaar in de veronderstelling dat die voorzieningen er al daadwerkelijk zijn én het UBI niet gebruikt wordt om de uitbouw ervan in de toekomst achterwege te laten. In tegenstelling tot de rechtse versie zit je dan niet met een verkapte besparing maar met een hoog prijskaartje. Hoe we dat gaan betalen, is een discussie op zich.

Eigenlijk circuleren er al veel vormen van basisinkomen dus het opvoeren van zo’n tegemoetkoming is niet zo gek.

Eigenlijk circuleren er al best veel vormen van basisinkomen die er dankzij de inzet van de arbeidersbeweging gekomen zijn – pensioen, ziekteverzekering, vakantiegeld, werkloosheid, leefloon – dus het opvoeren van zo’n tegemoetkoming is helemaal niet zo gek. De bonus voor de vakbond is er ook niet naast: een basisinkomen biedt de werkende mens meer autonomie ten opzichte van de werkgever waardoor werknemers niet gedwongen zijn op elke (goedkope) job in te gaan. Je kan het je beter permitteren om te staken als dat nodig zou zijn en je kan je ook sneller vrij maken om een engagement op te nemen in een sociale strijdbeweging.

Het zorgt tevens voor een inkomen voor de vele vormen van onbetaalde arbeid in onze samenleving: kinderopvang, ouderenzorg, huishouden, buurtwerk en alle andere waardevolle activiteiten die commercieel onrendabel zijn. In de strijd voor gendergelijkheid is dat een hele troef.

Nog een voordeel: heel wat mensen zijn zo minder aangewezen op de overbevraagde werkloosheidssteun, wat voor vakbonden als belangenbehartiger tussen leden en overheid qua dienstverlening een complexe opgave is. De misstanden die daar helaas te frequent gebeuren, resulteren in een imagoprobleem terwijl dit niet onze corebusiness is.

Doordat je met het UBI zoveel kanten op kan, is het niet gemakkelijk om binnen een vakbond een gedragen standpunt te krijgen.

Doordat je met het UBI zoveel kanten op kan, is het ook niet gemakkelijk om binnen een grote organisatie als een vakbond een duidelijk en gedragen standpunt te krijgen. Een los verband van kunstenaars – gilden en andere genootschappen – dat geen verantwoording moet afleggen aan andere beroepsgroepen en historisch ook geen verantwoordelijkheid heeft in het verdedigen van het fragiele sociale pact, heeft het gemakkelijker om dit als standpunt te verdedigen. Bovendien zal een vakbeweging met haar campagnes vooral de focus willen leggen op beleidsbeslissingen die in de politieke actualiteit ter discussie staan: optrekken van de minimumlonen, verloning van overuren, work-life balance, non-discriminatie, werkzekerheid, enzovoort.

Concreet voor de cultuurwerkers: het terugdringen van de onbetaalde arbeid, het pleidooi voor rechtstreekse en duurzame contracten zonder dure tussenpersonen, inspraak op de werkvloer via werknemersvertegenwoordiging, degelijke verloning, rechtszekerheid en fair practice in al zijn betekenissen. Het is natuurlijk niet vreemd dat werkgeversfederaties voorstander zijn van een basisinkomen: zo kunnen werkgevers heel wat verantwoordelijkheden lossen en de rekening doorschuiven naar de belastingbetaler.

Exclusief basisinkomen

Het thema van deze Tuesday talks ging echter over een basisinkomen exclusief voor kunstenaars. Dat botst wel op een aantal problemen waar ik niet meteen een oplossing voor zie.

Het eerste is een legitimatieprobleem: hoe ga je verantwoorden dat alleen kunstenaars dit krijgen? Als je de universele aspiratie van het basisinkomen loslaat, stelt zich meteen de vraag waarom de helden in de zorg dit dan niet krijgen? Of onderwijzers? Of vuilnismannen? Uit rechtse hoek zal het vijandbeeld van de ‘culturele elite’ de trom roeren. Tactisch krijg je dat niet uitgelegd.

Verder heb je een praktisch probleem: hoe ga je bepalen wie dan als kunstenaar in aanmerking komt? De toestroom van elke creatieveling die ooit een pot heeft gedraaid, een aardige aquarel schilderde of een modieuze snit fabriceerde, ligt voor de hand.

Als lid van de commissie kunstenaars die zich buigt over het toekennen van de kunstenaarskaart en het kunstenaarsvisum kan ik meegeven dat discussies over het vage begrip ‘artistieke prestatie’ dikwijls een hoofdbreker zijn. Het is natuurlijk eigen aan de artistieke drive om elke categorisering, zodra die expliciet wordt, te willen overstijgen. Maar zelfs met alle goede wil van de wereld kan je dossiers van hondenkapsalons, huwelijksfotografen of bloemschikkers niet aanvaarden zonder op termijn het risico te lopen op de (terechte) kritiek dat er mensen voordelen krijgen voor wie de uitzonderingsregels dus niet bedoeld waren. Wat dan een reden kan zijn om het licht voor iedereen uit te doen.

Dan is er nog een ideologisch probleem: kunst maken is geen lifestyle. Het is een activiteit, geen manier van zijn. Om de clichés maar weer even te gebruiken: het is niet omdat je in het zwart vernissages frequenteert of rare dingen in de krant zegt met een zotte foto erbij, dat je een kunstenaar bent.

Het basisinkomen is ook een vrijgeleide om het kunstenaarschap niet meer als een beroep te moeten verdedigen.

Het basisinkomen biedt dan wel een oplossing voor het tekort aan cultuursubsidies of voor kunstenaars die niet commercieel willen werken, het is ook een vrijgeleide om het kunstenaarschap niet meer als een beroep te moeten verdedigen. Het biedt een kans om aan deze hele discussie te ontsnappen. Zo wordt het helaas nog moeilijker om te bepleiten dat artiesten een verloning verdienen (en dat ze dat ook moeten vragen). Onbezoldigd werken schept misschien een deugdzaam aura of een return in zichtbaarheid. Maar hoe kan je verwachten dat anderen jouw kunstenaarschap als job serieus nemen en er ook voor willen betalen als je zelf andere signalen uitstuurt?

Alpenwei

Hier kan je natuurlijk opperen dat kunst iets speciaals is en dat je net weg wilt van de loonlogica, eventueel onder het mom van van de artistieke vrijheid. Maar in tegenstelling tot wat er in de Tuesday Talk werd beweerd, is het niet zo dat vakbonden de cultuurwerker per se in het frame willen duwen van werkgever versus werknemer, omdat ze niets anders kunnen bedenken. Wél willen ze onder de aandacht brengen dat dit de economische relatie is waarin cultuurwerkers zich doorgaans bevinden en dat de cultuurwerker net daarom de verdediging van zijn eigen positie moet opnemen. Omdat je recht hebt op sociale bescherming. Omdat een degelijk contract je net economische vrijheid geeft. Omdat er heus nog wel middelen te vinden zijn om alsnog in een verloning te voorzien.

We zijn het erover eens dat kunst een maatschappelijke meerwaarde biedt en ondersteuning verdient. Toch is het gangbaar om te denken dat extra subsidies onrealistisch zijn.

Op dit punt bots je vervolgens vaak op een paradox: velen zijn het erover eens dat kunst een maatschappelijke meerwaarde biedt en daarom ondersteuning verdient. Tegelijk is het gek genoeg gangbaar om te denken dat het echt niet realistisch is dat er meer cultuursubsidies zullen komen. Ook in de voorgaande Tuesday Talks passeerde deze aanname meermaals, zonder dat iemand er nog van opkeek. We moeten blijkbaar het idee loslaten dat er meer ondersteuning mogelijk is, maar wel out of the box gaan denken. Vervolgens duikt de dure droom van een basisinkomen op.

Maar waarom zou onze samenleving hier dan wel voor willen betalen als we er niet op moeten hopen dat er wat meer cultuurmiddelen of een indexering kunnen volgen? Onze overheid noemt zich in haar baseline graag State of the art, ze wil het imago van onze economische regio ophangen aan de kunsten en hoopt via cultuur een Vlaams-nationalistische identiteit te kunnen kneden. Het belang van kunst en cultuur, dat erkent ons politiek personeel dus alvast wel.

Of moeten we dit plaatje gewoon helemaal anders bekijken? Bedient het idee van een basisinkomen voor kunstenaars ook niet een andere functie, namelijk die van een fantasie die we willen koesteren en die verlossing belooft? Wegdromend van de praktijk van het aardse overleven met al zijn beperkingen, opstijgen naar de bloemige alpenwei van onverkende mogelijkheden en vrijblijvend experiment? Heerlijk flaneren, en dat bedoel ik niet cynisch, dat is fun!

Maar het kan ook een vluchtheuvel zijn. Om de overgang niet te moeten maken van onze verbeelding die een rebelse bevrijding lijkt te beloven van ‘het systeem’ – in het debat was het me niet duidelijk of we het dan over het kapitalisme hadden of de verzorgingsstaat, toch geen detail – en ons al filosoferend leuke, nieuwe inzichten biedt, naar de concrete, vermoeiende, confronterende en reële strijd die nodig is als we willen vermijden dat cultuurwerkers vandaag en ook morgen steeds opnieuw voor dezelfde impasses te staan.

Blauwe doos

Vaak is het niet verkeerd gewone zaken te willen die voor iedereen hun nut hebben bewezen. Dat lijkt soms moeilijker dan out of the box denken. Waarom durven we niet dromen van rechtstreekse contracten via de overheid, via een beoordelingscommissie? Aanstellingen zoals politici die krijgen of academici, die toch niet monddood worden gemaakt door de politiek. Waarom gunnen we schrijvers, dichters, dansers of beeldende kunstenaars geen publiek mandaat met de maatschappelijke garantie van rechtszekerheid? Zoals andere openbare beroepen – denk aan onderwijs, zorg of politie – ook krijgen? Gedaan met om de zoveel maanden projectsubsidies te moeten aanvragen. Weg met die uitputtende lijdensweg! Vrij van de verplichte netwerking bij cultuurorganisaties, omdat cultuurwerkers nu eenmaal van hun gunsten afhankelijk zijn gemaakt. Verlost van de economische noodzaak om je artistieke ziel te moeten verkopen aan commerciële belangen.

Vaak is het niet verkeerd gewone zaken te willen die voor iedereen hun nut hebben bewezen. Dat lijkt soms moeilijker dan out of the box denken.

Wie dit voorstel meteen van tafel veegt met het doembeeld van de ‘staatskunstenaar’ en de ‘statutaire ambtenaar’ – stel u voor, horror! – illustreert toch vooral dat de liberalisering zover doorgedrongen is dat we het ons zelfs niet meer kunnen voorstellen dat er vanuit een democratische overheid eenvoudige oplossingen kunnen komen. Zitten we misschien zelf vast in een blauwe doos met de plakker TINA erop?

Ter afronding een simpele vraag: waarom vinden we het normaal dat klassieke muzikanten binnen onze gereputeerde ensembles wél van een vaste aanstelling kunnen genieten zodat ze hun talent binnen hun loopbaan kunnen ontplooien – statutaire ambtenaren, horror! – maar zouden we een gelijkaardige economische ondersteuning ontzeggen aan individuele kunstenaars, van muzikanten tot pakweg fotografen?