Tijdens het MOOOV-filmfestival (www.mooov.be) in Turnhout biedt rekto:verso een zesdaagse workshop filmkritiek aan. Schrijf je vóór 20 maart in voor een intensieve kijk- en schrijfweek!
Tijdens het MOOOV-filmfestival (www.mooov.be) in Turnhout biedt rekto:verso een zesdaagse workshop filmkritiek aan. Schrijf je vóór 20 maart in voor een intensieve kijk- en schrijfweek!
In hun overzichtstentoonstelling Optimundus dalen de ‘videasten’ Harald Thys en Jos De Gruyter met pervers enthousiasme af in de donkere krochten van ons alledaagse bestaan, richten ze hun sarcastische blik op de onderbuik van de kunstwereld en sublimeren ze met evenveel genot hun eigen machismo.
Raoul Peck, regisseur van de films Lumumba en Sometimes in April, wordt dit jaar zestig en viert dat met een kritische documentaire over de falende hulp aan zijn geboorteland Haïti. Assistance fatale, straks te zien op het MOOOV-festival, is uitgesproken politiek. ‘Dat komt doordat het leven zo doordesemd is van politiek’, vertelt hij aan MO*.
Met The Act of Killing voorzag Joshua Oppenheimer een straffe titel voor een nog veel straffere documentaire. De Amerikaanse filmmaker volgt in de film een voormalige killer squad van Indonesische paramilitairen, die hun moordpartijen van weleer opnieuw opvoeren voor de camera. Zelden voelde een documentaire zo surreëel. Maar wat beoogt Oppenheimer precies met deze film, die op het Filmfestival van Berlijn al de Panorama Publieksprijs en de Prijs van de Oecumenische Jury won?
Hoe moeilijk het is om via de omweg van de fictie een accuraat beeld te geven van het hedendaagse Vlaanderen, bewijst Rundskop. In die film vindt, onderhuids maar onmiskenbaar, een verdienstelijke poging plaats tot artistieke psychoanalyse van het fenomeen ‘Vlaams-nationalisme’. Zo beschrijft een van de personages – een Waalse garagist, trafikant in gestolen wagens – op een bepaald ogenblik zijn klant, een Vlaamse hormonenspuiter, als ‘ce type du Vlaams Gezang’ – een duidelijke verwijzing naar het VB. Maar er is meer: het kerndrama zelf blijkt communautair getint. En het legt een trauma bloot in Vlaanderens politieke verbeelding.
Het moet van de jaren 1960 en de non-conformistische cinema van Pier Paolo Pasolini en Werner Herzog geleden zijn dat er in Europa nog een cineast is opgestaan die zo consequent de camera aanwendt om te provoceren en taboes te verdrijven als Ulrich Seidl. In de recente Paradies-trilogie Liebe, Glaube en Hoffnung is er andermaal geen gebrek aan gênante taferelen. Met een grijns wijst de Oostenrijkse cineast ons de weg naar het paradijs. Een gesprek.
Wat is er Vlaams aan films als Altiplano, Beyond the Steppes en The Invader? Weinig tot niets, behalve het feit dat ze Vlaams zijn. De personages en de verhaallijnen van deze films trekken ver voorbij de regionale grenzen, waardoor men kan gewagen van een tendens tot interculturalisering. Noem het de kerktorenvlucht van de ‘Vlaamse cinema’ – wat dat ook moge betekenen.
De grens tussen de Verenigde Staten en Mexico wordt door velen gezien als een wereld aan de andere kant van de wereld. Pal op de grens van beide universums, vlak tegenover het Amerikaanse El Paso, ligt een stad waar de wetten van onze beschaving ophouden en die van de waanzin, de hoererij, de drugshandel beginnen. Wat als we deze grensstad niet langer beschouwen als afwijking van de norm, maar als laboratorium van die norm? Wat als het Westen hier niet ophoudt, maar alleen maar wilder wordt?
In 1548 liet Michelangelo in De pinture antigua optekenen dat de Vlaamse Primitieven zonder kracht en moed schilderden. In hun obsessieve aandacht voor details, stofdifferentiatie en religieuze devotie gingen ze volgens de renaissancekunstenaar immers voorbij aan de essentie. What’s the fucking point? Zoiets moeten de leden van de Academy ook gedacht hebben toen ze The Master (2012) links lieten liggen in hun selectie voor beste film en beste regisseur – terwijl regisseur Paul Thomas Anderson toch het absolute troetelkind is van de Amerikaanse auteurscinema en vijf jaar terug met There Will Be Blood nog acht Oscarnominaties binnenrijfde.
Op de cover: een sokkel met enkel nog Henry Morton Stanleys schoenen. De rest van zijn cartooneske postuur ligt ongemakkelijk tegen de grond, alsof het nog aan het vallen is.
De wereld mag dan wel multipolair worden, ‘wereldcinema’ koestert nog oude tegenstellingen en schittert als concept vooral door vaagheid. Hoe westers is de wereldfilm?
Er is iets vreemds aan de hand met droomfabriek Hollywood. Telkens een nieuw avontuur van Bond, Batman of een andere (super)held verschijnt, spat de somberte van het scherm. Niets entertainment. De helden lijden aan depressies en identiteitscrises, en de wereld is er al niet veel beter aan toe. Is de zorgeloze blockbuster van weleer voorgoed verleden tijd? En vinden wij dat als publiek eigenlijk wel erg?
Van 23 februari tot 2 maart presenteerde FESPACO, het grootste filmfestival van Afrika, maar liefst 101 geselecteerde films uit 755 inzendingen voor officiële competitie. Kwantiteit vormt hier in Ouagadougou, Burkina Faso, dus duidelijk geen probleem. Maar hoe zit het met de kwaliteit van deze best-of van de afgelopen twee jaar? Wat is het internationale potentieel van de hedendaagse Afrikaanse film? En welk verschil maakt hij voor Afrika zelf?
Afrika’s vroege cineasten zochten naar een eigen filmtaal binnen de context van (post)koloniale relaties en Amerikaanse marktdominantie. Nu digitalisering filmproductie financieel en praktisch haalbaarder maakt voor meer mensen, groeien productievolume, diversiteit en de interesse van de filmkijker in werk van eigen bodem. Van grassroots tot high-end is een van de opvallendste kenmerken van nieuw werk uit Afrika de grote openheid voor invloeden van buitenaf: een culturele smeltkroes, niettemin onmiskenbaar Afrikaans.