In december miste hij op een haar na de jaarlijkse Taalunie Toneelschrijfprijs. Gisteren won hij alsnog de driejaarlijkse Vlaamse Cultuurprijs voor Toneelliteratuur. Wat heeft Peter De Graef voor op de rest?
Veilen is blijkbaar de nieuwste sport in podiumkunstenland. Zaterdag laat Wayn Traub in de Bourla opbieden voor een paar van zijn artefacten, inclusief zijn artiestennaam. Sarah Vanhee maakte het onlangs nog gekker. Bij wijze van slimme performance veilde ze op het Playground Festival onuitgevoerde ideeën van anderen. Alexander Nieuwenhuis was erbij, zag wat er gebeurde en vormde zijn eigen idee. U krijgt het gratis en voor niks: ‘dit is het symptoom van een zelfgenoegzame sector.’
auteurs Jürgen Jaspers & Sarah Van Hoof rubriek blitzkritiek
Al enige tijd is er in de pers tumult over het taalgebruik in enkele recente fictieseries (Code37, Los Zand). Steen des aanstoots is dat de acteurs geen Algemeen Nederlands maar een Antwerps-Brabants getinte tussentaal spreken, wat reden is voor fikse berispingen waarin termen als gemakzucht, provincialisme en onkunde niet worden geschuwd. Dat deze berispingen er bij een breed publiek ingaan als zoete koek, toont aan hoe vanzelfsprekend we het blijven vinden om alle taalvariatie uit de publieke sfeer te bannen.
Hallucinant, eigenlijk. Al maanden hield iedereen zijn hart vast voor de uitkeringsdag van de subsidies voor 2010-2012. Er kon niet anders dan gekapt worden in het kunstenbos, waarvan de minister al eind 2008 propageerde dat het vol stond. En de crisis moest toen nog beginnen. In Nederland voerde cultuurminister Plasterk een rigoureuze bezuiniging door, in eigen land knabbelde het repertoiredebat verder aan het draagvlak voor het gesubsidieerde theater en verkondigde Open VLD volgens zijn ‘blauwe lente’: genoeg gesubsidieerd. De enige onzekerheid die nog restte, was hoe groot de schade precies zou zijn.
auteurs David Bauwens en Rik Hancké datum december 2008
Twee nummers geleden pakte rekto:verso uit met een rondetafelgesprek waarin een paar tenoren uit de theatersector een lans braken voor commerciële pistes voor de gesubsidieerde podiumkunsten. ‘Nadenken over cultureel ondernemerschap en onze verhouding tot de markt is een kans’, aldus Vooruit-directeur Stefaan De Ruyck. ‘We mogen daar niet a priori wantrouwig tegenover staan’. Lees het volledige gesprek hier. David Bauwens van Ontroerend Goed en Rik Hancké van De Verrukking zien wel degelijk redenen tot wantrouwen, respectievelijk door de situatie in de Angelsaksische landen en op historisch-ideologische gronden.
Ook onze Vlaamse parlementariërs gaan al eens theater kijken. Over die indrukken debatteren ze dan in de Commissie Cultuur. Echt relevante zaken schoppen het tot in de plenaire vergadering. Zo keurde het Vlaamse parlement woensdag (op initiatief van Jo Vermeulen, Paul Delva en Margriet Hermans) vrijwel unaniem een motie goed waarin de Vlaamse regering gevraagd wordt om 1) de aandacht voor ‘het repertoire’ in het theaterlandschap te stimuleren, en 2) daartoe passende beleidsinstrumenten − zoals beleidsbrieven en beheersovereenkomsten − in te zetten. Kleine nuance: artistieke vrijheid en rol van commissies moeten natuurlijk gerespecteerd worden. Parlementariërs gaan niet zelf regisseur spelen. Ze programmeren liever.
Hoe meer taboes er op scène sneuvelen, hoe minder er soms in de coulissen benoemd worden. Een van de hardnekkigste taboewoorden in de Vlaamse podiumkunsten is zeker ‘commercialisering’. Subsidies zijn heilig, en wee diegene die iets anders durft te opperen. Na onze rondetafel met vijf tenoren en experts over de noodzaak van ‘vrij denken’ weten we beter. ‘Er is dringend een mentaliteitswijziging nodig!’
We waren er niet bij, in mei ‘68. Maar toch, of misschien juist daarom, spreekt die periode sterk tot onze verbeelding. Voor ons is mei ‘68 een mythe. De mythe van de maakbare wereld: alles kan, alles ligt in onze handen. Met de kunst als drijvende motor voor de maatschappelijke revolutie. Er ontsnapt ons een glimlach telkens wanneer we die mythe aanhoren: wat een zalige, maar ook al te simpele illusie. Tegelijk schieten de tranen ook uit onze kop, want zie ons hier nu staan met onze mond vol tanden. Tanden die het verleerd zijn om te bijten. Tetteren, dat doen wij graag en veel. We tetteren en kakelen ons te pletter tegen muren die in de decennia na ‘68 netjes werden opgebouwd, nadat ze eerst vakkundig waren gesloopt. Wij kakelen, en horen ook heel veel gekakel rondom ons. Op onze podia, in onze literatuur, in onze musea. Wat moeten wij, zérohuitards, met die onduidelijke erfenis van ‘68? En tegenover welke kunst willen wij ons graag verhouden?
In Antwerpen ontstond het afgelopen weekend beroering omdat het Antwerpse provinciebestuur de voor deze zomer geplande tentoonstelling van Louis Paul Boons ‘fenomenale feminateek’ in het Fotomuseum geannuleerd heeft. De afgelasting van de tentoonstelling gebeurde op voorspraak van gedeputeerde Ludo Helsen, die ‘het artistieke gehalte van de collectie te laag’ vindt. ‘Vaak zijn de foto’s maar wat krantenknipsels of zo. Ik heb thuis nog een verzameling plaatjes van sjotters en wielrenners en die toon ik ook niet in het Fotomuseum’, zei hij.
Tom Van Imschoot, redacteur bij rekto:verso en docent aan Sint-Lucas Beeldende Kunst Gent, gaat in een reactie op Helsens hallucinante beslissing dieper in op de betekenis van Boons fenomenale feminateek, een beeldarchief dat het bedenkelijke van onze tijd blijvend blootlegt. Very sexy.