Noise music is meer dan simpel 'lawaai'. Het gaat om een heftig statement over het bestaan en de wereld, in één lijn met de abstracte schilderkunst of het vroege surrealisme. Luister maar naar Kevin Drumm.
Noise music is meer dan simpel 'lawaai'. Het gaat om een heftig statement over het bestaan en de wereld, in één lijn met de abstracte schilderkunst of het vroege surrealisme. Luister maar naar Kevin Drumm.
1.
The sound of the city: met die vijf woorden typeerde Charlie Gillett ooit de doorbraak van de rock-‘n-roll. Het nieuwe genre verklankte niet zozeer het leven in de grote stad, als wel de manier waarop de teenagers haar beleefden. Zij waren ook nieuw, en ze zouden nooit meer weggaan. Rock-‘n-roll mixte hun twijfels met korte kreten en opzwepende ritmes, en koppelde ze aan massaal geïmiteerde houdingen. Het werd allemaal bij elkaar gehouden door de belofte van een opwindend leven. Niet later, maar nu – in de vrije tijd, na school of het werk. Dat je twee volkomen verschillende levens tegelijkertijd kan leiden, was eind jaren 1950 nog een flitsende ontdekking voor de meeste jongeren. Colin MacInnnes boekstaafde de spanning tussen doordeweekse saaiheid en zinderende weekends met veel panache in Absolute Beginners (1959). Net als het gros van de Amerikaanse jongeren kon ook zijn jeugdige Londen nauwelijks een kant op met de roots van de nieuwe muziek: black was still not beautiful ...
Wat voor onderzoekers zijn kunstenaars? Wat maakt kunst als onderzoekscultuur anders dan pakweg wiskunde, geschiedenis of sociologie? Sinds de Bologna-hervorming zit het hoger kunstonderwijs in een traject van ‘academisering’, met de uitbouw van een eigenstandige onderzoekscultuur. Daarover bestaat veel verwarring, maar stilaan trekken de nevelen op. Rudi Laermans beschrijft hoe de (academiserende) kunsten zich als ‘irriterende grensgangers’ kunnen verhouden tot de bestaande kennisculturen in Academia.
1.
Romantiek is klinisch dood in de kunsten maar kent een tweede, schijnbaar eeuwig leven binnen de massacultuur. De kunstenaar die thans nog een blik van het merk Schoonheid, Emotie & Zelfexpressie opent, doet dat met een vette knipoog of onderkoelde ironie. Wie het alsnog écht meent, wordt gewoonlijk weggezet als onverbeterlijk naïef. De uitzonderingen, genre Jan Fabre, bevestigen de regel die zegt dat de romantische erfenis nog enkel als conceptuele geste kan worden geactualiseerd: niks geloof in het product, louter metacommentaar op een resem clichés. Niet: ‘Ik voel, dus ik ben’, wel: ‘Ik speel met conventies, dus ik maak legitieme pomo-kunst.’ Je moet het wel op een geloofwaardige manier kunnen doen, met het soort van gepaste afstand die ophoudt net voor de grens waar het hypercynisme begint. De gelauwerde pomo-artiest werkt voorbij de romantische moderniteit, maar laat net dat tikkeltje twijfel toe dat zijn onoprechtheid oprecht maakt.
Met Let England Shake, waarmee ze onlangs nog de prestigieuze Mercury Prize 2011 won, heeft rockfenomeen P.J. Harvey zich volgens velen nogmaals heruitgevonden. Onze muzikale mini-essayist Rudi Laermans houdt het liever bij een markante persoonsontdubbeling: als afscheid van La Harvey, die hij nadrukkelijk onderscheidt van P.J. Harvey, wier oeuvre niet samenvalt met dat van La Harvey.
De periode 1977-1981 uit de popmuziek heeft de laatste jaren opnieuw veel stof doen opwaaien, in de vorm van re-releases, revivals, remixes en boeken. Ook Rudi Laermans duikt voor ons in de woeligste tegenstroom van de korte punkrivier. Hij stoot daarbij eerst op lauwe bovenstromen van de punkattitude, en vervolgens op de hete onderstromen van de punkmuziek. Als punk de popsong op subtiele wijze poogt te ontwrichten, dan vormt de muziek van This Heat volgens hem dé ‘stekelige ijkmaat’.
Op 11 september 2001 crashten in New York de twee torens van het World Trade Center na een terroristische aanslag van Al Qaida met gekaapte vliegtuigen; bijna tien jaar later, op 2 mei 2011, doodden Amerikaanse elitetroepen Osama bin Laden, het veronderstelde brein achter de aanslag, in het Pakistaanse Abbottabad. Dat overlijdensbericht is een non-event, zo schreef Lieven De Cauter een dag later in DeWereldMorgen. De definitieve uitschakeling van bin Laden was immers een al lang aangekondigde dood: we wachtten enkel op de voltrekking van de daad. Toen ze ten slotte alsnog plaatsvond – het was wel heel lang verbeiden – had de Arabische wereld bovendien net twee geslaagde opstanden achter de rug. Na aanhoudende protesten moest eerst Ben Ali in Tunesië, vervolgens Moebarak in Egypte opstappen. De ‘Arabische Lente’, die blijft voortduren, overschaduwde – ‘overstraalde’ is het betere werkwoord – de dood van bin Laden en deconstrueerde met terugwerkende kracht tevens de ongefundeerde gelijkschakeling van Islam en ‘illiberalisme’ die in het kielzog van 9/11 in geen tijd ingeburgerd raakte.
In dit driekoppige mini-essay over ‘schijnbaar futiele, louter technische media’ vertolkt Rudi Laermans ook een ‘quasi-politieke’ stem: technologische vernieuwing in de muziekbeleving levert niet noodzakelijk een verdiepende gemeenschapservaring op.
Ooit leek de wereld van de populaire muziek netjes verkaveld. Er was pop en rock, commerciële en alternatieve muziek, de zoete melodie en de wilde uithaal met stem of gitaar. Ondertussen denderde de trein van de dansmuziek lustig verder, niet gehinderd door het blanke verlangen naar die ideale wereld waarin iedereen altoos en overal zichzelf is, zoals Jimi Hendrix een transparante snarentaal sprak of Joan Baez doodgewone woorden opnieuw een stem gaf. Eerst was soul, vervolgens funk en dan disco de uitgesloten derde: pop noch rock, gewoon functionele dansmuziek waar je geen woorden hoefde aan vuil te maken. Je kon erop bewegen en uit de bol gaan, and that was it (niets zo vergankelijk als de lichamelijke ervaring van genot: ze is altijd instant). De geschiedenis van de populaire muziek werd geschreven in witte letters en ondertussen kleurden de marges gitzwart, maar nauwelijks iemand die daar om maalde. Af en toe een rituele buiging richting de blues volstond om de schuld in te lossen.
Sinds het overlijden van het Oostblok waart pas echt het spook van het communisme door Europa. Over dat spooky communisme doen meerdere vreemde verhalen over de ronde. Zo wedt de stug doorpublicerende Slavoj Zizek op de onvermijdbare wederopstanding van het communistisch spook vanuit het Reële. En volgens Antonio Negri is dat al gebeurd en is het spook een veelvormige 'multitude' geworden. Boris Groys speculeert in Het communistische postscriptum niet zozeer over het spook van het communisme, maar buigt zich over het verdwenen 'reëel bestaande socialisme' in de Sovjet-Unie. Hij looft de paradox en polemiseert en passant tegen de tenoren van 'burgerlijk links'.
Er bestaat zoiets als een muzikale adolescentie. De terugblik op die periode waarin de muziek het hele lichaam omvat, en zich vasthaakt op elke voelspriet, is niet enkel het terug opzoeken van een oude betovering. Voor Bart Meuleman bijvoorbeeld is schrijven over popmuziek ook een reconstructie van de geschiedenis van het zelf. In zijn De Donkere Kant van de Zon tref je tal van reflecties aan die het beloop van muzikale affecten belichten.
Kunnen geluiden politiek geladen zijn? De Engelse muzikant Matthew Herbert (°1972) vindt alleszins van wel. 'Wij vinden dat muziek nog altijd een echte politiek kracht kan zijn en niet zomaar de soundtrack bij overconsumptie', schrijft hij op de cover van There's Me And There's You, de meest recente cd van de Matthew Herbert Big Band. Volgens Herbert gaat muziek inderdaad verder dan het plaatsen van noten op een notenbalk, maar moet ze zich richten op geluiden waartoe de componist en de luisteraar zich kunnen verhouden. Of zoals hij het zegt in zijn korte tekst 'That sound': 'Mijn werk gaat niet meer om het 'vinden' van geluid. Het gaat om het opnemen van specifieke geluiden. Ik ben niet meer geïnteresseerd in het geluid van een deur die sluit. Ik wil nu weten hoe de deur van 10 Downing Street klinkt wanneer ze dichtvalt'. Op deze manier distantieert Herbert zich van de nadruk op 'bewustmakende' protestsongteksten, een onderwerp dat nog altijd de discussie over de relatie tussen populaire muziek en politiek beheerst.
Popmuziek heeft een vreemde uitwerking omdat ze dingen en mensen zo plots - als in een vluchtige gedachteloze bedwelming - veel dichterbij brengt. Popmuziek doet zelfs dromen over het gelukte samenleven. Het is de stem, die fameuze verstrengeling van het zingende en het luisterende lichaam, die ons bij de lurven pakt. Over wat de popstem precies met je kan doen, wordt te weinig geschreven. Over de vaststelling dat popmuziek letterlijk (meer)stemmig is, al helemaal.
Na ruim dertig jaar is de Amerikaanse band Sonic Youth nog steeds springlevend. De nieuwe releases blijven elkaar aan een gestaag tempo opvolgen en nu is er met Sensational Fix ook een koffietafelboek. Op The Eternal, de recentste schijf, laat de groep vooral zien dat ze in eerste instantie (of beter: nog steeds) een erg goede rockgroep is, veel meer nog dan de peetmoe van de artistieke noise.