Wow ende o jee

Boeken om naar te kijken. De naam van het project dat onder meer ook leidde tot een tentoonstelling in het Gentse Museum voor Schone Kunsten, wekt verbazing. Boeken die niet bedoeld zijn om naar te kijken, zijn immers tot nader order onbestaande. De organisatoren van het project, onder wie Gerda Dendooven en Gert Dooreman (curatoren van de overkoepelende expositie in het MSK), impliceren uiteraard dat ze van bezoekers niet verwachten dat ze boeken komen lezen. In plaats daarvan selecteerden ze een resem grafisch bijzondere boeken en tijdschriften om ons aan te vergapen, en die dus nadrukkelijk de aandacht vestigen op het boek als object. Daar is niets mis mee, maar 'eigenzinnig' - zoals de tentoonstelling wordt genoemd - is iets anders.

Gentse boekerijen, de tentoonstelling in het MSK, is de kers op een taart waarvan de stukken over twintig bibliotheken en archieven in Gent liggen verdeeld. Al deze instellingen openden (minstens) een week hun deuren, die tijdens de rest van het jaar veelal gesloten blijven en die zelfs inwoners van Gent vaak niet eens weten te vinden. In sommige van de deelnemende instituten (zoals het Augustijnenklooster Sint-Stefanus of het Kabinet Maurice Maeterlinck) kon je de bibliotheek bezichtigen, terwijl andere partners zoals het Bisschoppelijk Seminarie en de Sint-Lucasbibliotheek nog wat meer moeite deden en voor de gelegenheid een tentoonstelling samenstelden. Het initiatief ging uit van het OKBV (Overleg Kunstbibliotheken Vlaanderen).

PRUIKEN EN ORCHIDEEËN

Dat soms obscure instellingen als het 'Documentatiecentrum voor Streekgeschiedenis dr. M. Gysseling' volk naar hun vaak donkere krochten proberen te lokken, is lovenswaardig. Vaak herbergen ze fenomenale schatten die op een of andere manier ooit hun weg naar curieuze bibliotheken hebben gevonden, om zich vervolgens in de stilte van hun eeuwigheid te liggen vergelen. Bibliofielen en andere fetisjisten konden dankzij de tijdelijk geopende boekerijen oude en bijzondere exemplaren aanschouwen, die hen 's avonds bij een glaasje rood of een lang opgespaard Cubaantje konden doen mijmeren over lang vervlogen ganzenveren.

Gerda Dendooven en Gert Dooreman sloegen in het MSK een andere weg in. Ze kozen ook wel een aantal obligate oude knakkers met vaak imposante ruggen uit de collecties van de participerende boekerijen, maar tussen de Permekes en de Latemse collectie van het museum tonen ze daarnaast ook werkelijk alles waarop ze hun handen konden leggen. Dendooven verwoordt de selectie zo: 'we [zijn] zelf tussen rekken en dozen gedoken, op ladders geklommen en in ladekasten gaan neuzen naar dat wat ons aan het lachen kon brengen of mij kreten als "wow" en "o jee" ontlokte'. Zo simpel kan het werk van een curator zijn: je steekt je neus in andermans bibliotheek en maakt een stapeltje van boeken die je in een vlaag van onverhoopte eloquentie een naar K3 lonkende 'o jee' hebben uitgelokt. Vervolgens laat je die boeken door het zo zwijgzaam mogelijke stadspersoneel in een oneindige vitrine van een museum pleuren, en dan maar hopen dat het resultaat bij de al dan niet toevallige passanten een even tropisch tussenwerpsel zal ontvreemden. Olé!

Het moet gezegd: Dooreman en Dendooven vonden inderdaad een pak papierwaren die om vaak erg uiteenlopende redenen tot de verbeelding spreken, doen glimlachen of kortstondig amuseren. De dame die ergens in de vroege jaren 1960 de covers van haar collectie Goed Nieuws van een eigen inhoudstafel heeft voorzien ('Pruiken / Orchideeën / Eieren / Zwemmen / Tweed gedubbelde mantel / Macaroni+kalfslap' enz.) moet zeker een spécialleke geweest zijn. De cover van De Zwijger waarop Armand Pien en Lutgard Simons ietwat praecox het 'Huwelijk van het jaar!' beleefden, roept het jammerlijk vervagende beeld op van de grijnzende Johan Anthierens, en het swingende boekje American Milkbar thuis, dat hippe Vlaamse huismoeders net na de Tweede Wereldoorlog 'met ijselijke bijzonderheden' verleidde, laat niemand, euh, koud.

LEKKER SPONTAAN

Maar zou ik echt de enige boekenzoeker zijn die daar in het MSK op zijn honger blijft zitten? Ben ik een visueelibeet omdat ik vergeefs op zoek ben gegaan naar een soort rode draad, een concept of een idee over wat boeken behalve leesvoer nog meer (kunnen) zijn? Of hebben de curatoren er zich een beetje te gemakkelijk vanaf gemaakt? Volgens Gerda Dendooven zou een opgelegd thema 'onrecht gedaan hebben aan de toevallige ontdekkingen', en zou het de curatoren hebben afgehouden 'van ons enige doel: mooie boeken bijeenbrengen — wat mooi ook moge betekenen. We hebben dus met een open blik gekeken naar wat er op ons pad kwam'. Dat klinkt lekker spontaan, maar in wezen betekent het wat mij betreft zoveel als: 'op voorhand hadden we geen idee waar we aan begonnen, en achteraf … eigenlijk ook niet'.

De tentoonstelling Gentse boekerijen is daardoor een typisch voorbeeld van stuurloze willekeur en een soort arbitrariteit die als eigenzinnigheid wordt verkocht. Het is een fenomeen dat al eens vaker voorkomt wanneer prominente culturo's zich laten ompraten om als gelegenheidscurator, -redacteur of -layouter voor een museum, festival of tijdschrift op te treden. Wat verwacht De Morgen eigenlijk wanneer het zich door Soulwax laat 'remixen'? Waarop hoopt De Standaard wanneer het zijn layout voor een dag door Luc Tuymans onder handen laat nemen? En op welke manier is de literatuur ermee gebaat dat Guy Verhofstadt dit jaar de jury van de AKO Literatuurprijs voorzit?

Voor alle duidelijkheid: Gert Dooreman levert als vormgever van boeken fenomenaal werk, en Gerda Dendooven is wellicht de meest toonaangevende van een op zich al indrukwekkende generatie Vlaamse illustratoren. Maar Gentse boekerijen, hun tentoonstelling, is niet zo eigenzinnig als het OKBV wellicht gedroomd heeft, hoe aangenaam het ook kan zijn om naar al die kaften en covers te staan staren. Dat komt onder meer doordat ze nogal wat clichés over het boek bevestigt en omdat het duo weigert om in de begeleidende catalogus (die evenwel 'een wezenlijk onderdeel van deze tentoonstelling' wordt genoemd) dieper op de aard of het doel van wat ze tonen in te gaan. Voor wie zo vertrouwd en vergroeid is met covers, illustraties en lettervormen, is dat een jammerlijk gemiste kans.

Net omdat het zowat onmogelijk is om in een museum boeken echt te lezen, hebben exposities die dan toch iets met boeken te maken hadden, vormgeving altijd al centraal gesteld. Alleen al wat dat betreft is het opzet van Boeken om naar te kijken dus niet bepaald opzienbarend. Gelijktijdig met Gentse boekerijen loopt in het MSK een prestigieuze Emile Claus-tentoonstelling, en het museum herbergt daarnaast ook heel wat tijdgenoten van de Vlaamse zonneschilder. Precies in Claus' meest vruchtbare periode (dus in de decennia net voor en net na 1900) werd aan de vormgeving van boeken erg veel aandacht besteed, wat onder meer ook in nogal wat boektentoonstellingen resulteerde.

Zo vond in 1904, het jaar waarin Claus zijn kunstkring 'Vie et Lumière' stichtte, in Antwerpen bijvoorbeeld de Tentoonstelling van het Moderne Boek plaats, die heel wat weerklank heeft gekregen. 'Arts and Crafts'-man William Morris was toen een centrale figuur, maar onze eigen Henry van de Velde was dat ook. Het is natuurlijk niet toevallig, maar in het eveneens in Gent gelegen Design Museum wordt momenteel het werk van Van de Velde als boekontwerper en typograaf tentoongesteld. Deze rondreizende expositie mag dan misschien niet de meest sexy in haar soort zijn, maar in vergelijking met de even morsige als vage selectie in het MSK is ze heerlijk informatief, doordacht, en conceptueel glashelder. En daar is vooralsnog echt helemaal niets mis mee. Samen met talloze boektentoonstellingen uit Claus' en andere tijden toont Henry van de Velde. Boekontwerp tussen art nouveau en nieuwe zakelijkheid ook aan dat boekontwerpers, vormgevers en illustratoren hun eigenzinnigheid nog het best van al in hun boeken demonstreren, en niet zozeer in de exposities die ze superviseren.

KNUFFELBOEKEN

Boeken zetten volgens Gerda Dendooven 'je hoofd in vuur en vlam. Met stille stem prediken ze opstand, maar evengoed onderdanigheid, ze kraaien oproer en blussen ongenoegens. Het zijn openbare aanklachten en gewetensvraagstukken'. Met dit soort zinnen, die misschien goed klinken maar in wezen weinig vertellen, verheerlijken bibliofielen al decennialang het voorwerp van hun liefde. Opvallend in dit soort retoriek is dat de inhoud van boeken telkens als alibi wordt gebruikt om de eigenlijke bezigheid van bibliofielen, met name het vergaren van materiële objecten, te vergoelijken. Boeken heten dan al snel 'reizen' te zijn 'naar andere werelden', 'het zijn reddingsboeien en levensgidsen. Ze openen je hoofd, zeuren aan je kop en knagen aan je vel'. Dat kan allemaal wel zijn, maar wanneer je zo nadrukkelijk boeken wilt tentoonstellen omwille van hun vorm en dus omwille van hun materialiteit, dan is het jammer dat je daar verder met geen woord over wilt reppen.

Wanneer dat dan toch eens gebeurt, kun je er donder op zeggen dat men van de weeromstuit een vergelijking zal maken met digitale teksten of met het nog altijd in een vlaag van mysterie gehulde fenomeen van het e-book. Ook daar ligt een arsenaal aan weinig zeggende clichés voor het grijpen, en in de (uiteraard fraai vormgegeven) catalogus wordt van het basispakket aan dooddoeners gretig gebruik gemaakt. 'De computer betekent tegenwoordig de redding van vele vergankelijke boekenlevens. Al kan het voelen aan een in leer gebonden boekband nooit digitaal geëvenaard worden', schrijft Dendooven.

Wat daarmee wordt verdedigd, is de fundamentele knuffelbaarheid van het boek, dat eender welke liefhebber van Gutenbergs nalatenschap zal herkennen. Wat dat betreft zijn wij, veellezers, allemaal gelijk: als we ons onbespied wanen, steken wij letterlijk onze neus in boeken, strelen we kaften, frunniken we leeslintjes tot moes en laten we onze handen minzaam en vertederd glijden over al die dappere ruggen die in de kreunende kasten van onze huizen rij aan rij staan. Ongeacht het feit dat we inderdaad graag mogen 'reizen' door de inhoud van die boeken, is dát de feitelijke essentie van bibliofilie: we houden van die dingen, precies omdat het dingen zijn. Zoals de buurman elke avond met een boenlap nog snel even de spoiler van zijn gifgroene getunede Volkswagen Golf bepampelt, zo doen wij dat met onze boeken. Natuurlijk houdt zo'n tuner er ook van om met zijn auto te gaan rijden, maar die auto te hébben en dus te kunnen strelen, ruiken en bemoederen, dat verschaft hem toch het grootste plezier.

HET DIGITALE DING

Een tentoonstelling over boeken doet zich dus beter niet als eigenzinnig voor, tenzij ze onze blik op de vormgeving van die curieuze dingen écht bijstelt of verandert. Wat dat betreft ligt een enorm belangwekkend terrein helemaal braak. Het is precies in de vergelijking met de digitale tegenhanger van het boek, een vergelijking die bibliofielen zo dolgraag maken, dat ze waarlijk opzien zouden kunnen baren. Maar dat veronderstelt natuurlijk dat je de ware aard van het digitale medium enigszins doorgrondt, en daar knelt helaas het schoentje.

Laat ons dus komaf maken met een paar hardnekkige misverstanden die in de marge van dit soort tentoonstellingen en andere feesten van het gedrukte boek telkens opnieuw worden verspreid. Wat mij bijvoorbeeld stoort aan de voortdurende vergelijking tussen boeken op papier en boeken in de vorm van bits en bytes, is dat men zich, precies twintig jaar nadat de Brit Tim Berners-Lee en de Belg Robert Cailliau het World Wide Web aan hun collega's uit de doeken deden, nog altijd niet realiseert dat digitale teksten eveneens een materieel aspect hebben. En dat het design van die digitale materie vandaag een net zo sterke indruk op ons nalaat als boekverzorgers vroeger en nu hebben gedaan. De enige conclusie kan bijgevolg zijn dat we binnen enkele decennia even ontroerd en verrukt naar oude websites en andere digitale bestanden zullen staan kijken als we vandaag in al die Gentse bibliotheken en in het MSK naar boeken staan te staren. Al is ook dat in feite een denkfout: wat het boek is voor een tekst in gedrukte vorm, is niet hetzelfde als wat het internet voor een digitale tekst is. Dat is namelijk de computer. Vandaar dat een hele generatie prille dertigers steeds explicieter dweept met de Commodore 64 of de Atari 7800 die ooit op hun kamertje stond te blinken: die prehistorische computers waren de knuffelbare materie die hen het reizen door de inhoud van hun algoritmische materie mogelijk maakte.

Zo weinig mensen weten daar echter iets (zinnigs) over (te vertellen), dat eender wie zijn bek erover opent, meteen als goeroe van het digitale tijdperk wordt geschouwd. Dat digitale teksten materieel zijn, is echter nog niet doorgedrongen. In dat opzicht is het recente werk van Matthew Kirschenbaum een wonderbare mind opener. In zijn recente boek Mechanisms. New Media and the Forensic Imagination wordt haarfijn aangetoond dat vrijwel alle clichés over digitale teksten de facto onzin zijn: e-tekst is niet zo efemeer als algemeen wordt aangenomen, twee schijnbaar identieke verschijningsvormen van dezelfde digitale tekst zijn in wezen (onder de interface) wel degelijk altijd ongelijk, en een digitale tekst is — zo blijkt uit de werkelijk verbluffende wereld der 'computer forensics' — net zo goed een materieel artefact als eender welk boek maar kan zijn. Kirschenbaums illustratiemateriaal toont het even sierlijk als onomstootbaar aan: van de gereconstrueerde hard drives die uit de puinen van de WTC-torens werden gevist tot de 'wandeling' door de oerbestanden van enkele zeer vroege experimenten van e-literatuur (zoals William Gibsons gedicht 'Agrippa'), het demonstreert moeiteloos dat digitale teksten ten minste de intrinsieke potentie in zich dragen om vroeg of laat iemand 'wow' of 'o jee' te laten zeggen, alleen maar vanwege hun materialiteit.

Digitale teksten, beelden en andere bestanden laten een fysieke afdruk na op hun dragers, en net als teksten op papier geraken ze mettertijd vervuild. Zoals gedrukte teksten en beelden wordt hun vormgeving door praktische omstandigheden en esthetische modes bepaald. Binnen afzienbare tijd zullen steeds meer mensen daardoor gefascineerd geraken en zullen we dus blij zijn als twee moedige curatoren eens een tentoonstelling zullen maken waarin (ook) op al die typisch materiële aspecten van het digitale ding de aandacht wordt gevestigd.

Ook een digitale tekst is een ding dat we, van zodra we het helemaal begrijpen, zullen knuffelen en liefkozen, als ware het een boek. De eerste tentoonstelling die erin slaagt om dat aspect van digitale bestanden met boeken te vergelijken, zal ik in alle talen die ik ken 'eigenzinnig', 'waarlijk vernieuwend' en dus 'opzienbarend' noemen. Helaas zijn die woorden niet van toepassing op de selectie van Dooreman en Dendooven uit de Gentse boekerijen. Maar ondertussen kunnen we ons verwarmen aan heerlijk on-eigenzinnige tentoonstellingen over heerlijk eigenzinnige vormgevers, zoals Henry van de Velde.

De tentoonstelling 'Gentse Boekerijen' in het MSK in Gent loopt nog tot 21 juni. Het parcours langs de andere bibliotheken is intussen afgesloten. 'Henry van de Velde. Boekontwerp tussen art nouveau en nieuwe zakelijkheid' is nog tot 1 juni te bezichtigen in het Gentse Design Museum.

^ Terug naar boven
 

Reacties

Post new comment

The content of this field is kept private and will not be shown publicly.
Als maatregel om geautomatiseerde spamrobotten tegen te gaan, vragen wij u het huidige jaar in te vullen. Op die manier kunnen we uw bericht onderscheiden van spam.
By submitting this form, you accept the Mollom privacy policy.