Waakhond

Door Rebekka de Wit, op Fri Sep 30 2016 11:40:37 GMT+0000

Onlangs lag ik in een rivier in Frankrijk. Ik lag op de rand van een dammetje en onder mij stroomde water door. Ik steunde op mijn ellebogen en keek naar mezelf. Ik staarde naar mijn buik, had bijgedachten die me zo dwars zaten dat ik niet doorhad dat er vissen aan mijn voeten zaten te knabbelen. Ik keek naar mijn benen, die licht gaven in de middagzon, maar was blij dat ze in deze houding mooier leken dan ze in werkelijkheid waren. (Ondanks het feit dat ik mezelf niet kan zien, dat ik niet weet hoe ik er werkelijk uitzie, blijf ik vreemd genoeg toch het woord ‘werkelijk’ gebruiken in relatie tot mijn uiterlijk.)

Naast mij zat een jongetje. Hij was naakt, op zijn ‘finding dory’ waterschoenen na, en zat gehurkt zoals alleen kinderen dat goed kunnen, met hun lichamen van deeg. Hij was vier, geloof ik, en zat stenen te zoeken. Hij keek mij aan – of eerder door mij heen – en ging zonder iets te zeggen of te bedoelen weer verder met zijn activiteit. Zijn vader zat naast hem, ook op waterschoenen. Ze leken op elkaar.

Wij waren zo anders. De vader, het jongetje en ik. En zelfs als het jongetje zelfbewustzijn zou krijgen en een zekere vorm van schaamte, als hij kortom op zijn vader zou gaan lijken, was er nog steeds een onvoorstelbaar groot verschil tussen zijn lichaam en dat van mij. Hij gebruikte zijn lichaam om stenen te zoeken.

Ik zit er vaak buiten, buiten mijn lichaam bedoel ik, en maak er als een soort waakhond rondjes om. Ik ben constant publiek van mijn lichaam.

Ik zat ergens aan de buitenkant van mijn lichaam, was bezig het te inspecteren en hield me bezig met hoe ik daar lag, en of ik mooi lag. Zelfs al was ik vooral aan het nadenken over andere dingen. Dat inspecteren van mijn lichaam heb ik in mijn korte leven al zoveel gedaan, dat ik nu al op mijn breiende oudtante lijk. Mijn oudtante kon niet ophouden voor iedereen sloffen te breien. Na het honderdste paar bleven haar handen breien, of er nou wol in lag of niet. Ik geloof dat veel vrouwen van die ‘breiende handen’ hebben, als het om hun lichaam gaat. Ze stoppen niet met voelen hoe ze eruit zien. Het is een reflex.

Ik keek om me heen en zag dat niemand naar me keek. Behalve ik.

73_dewit_water-street-art-paddleboarding-sean-yoro-hula-20.jpg

Aan dat moment in Frankrijk moest ik aan denken, toen iemand – een hij – mij vroeg ‘hoe ik daar nou in stond, in dat hele feminisme’. Ik begon eerst te lachen en moest denken aan een aflevering van Ali G., waarin hij aan een feministe vraagt: ‘Do you think we should all try feminism at least once?’, doelend op een trio met twee vrouwen. Maar de vraag bleek gemeend, zag ik. Ik zou willen dat ik hem kon laten zien hoe ik daar lag, in dat riviertje. Het leek me het beste antwoord op de vraag hoe ik daar nou in stond. Lichtelijk gekromd, met een ingehouden buik en mijn hoofd naar beneden. Zo sta ik er in. In rivieren in Frankrijk, in dit gesprek en elk debat. Met een lichaam dat maar gedeeltelijk van mij is. Het is ook van een buitenwereld, die ik ervaar als ik naakt voor een spiegel sta.

Ik verheug me op de dag dat vrouwen hun zinnen niet meer beginnen met de woorden ‘waarschijnlijk ligt het aan mij, maar …’

Ik zit er vaak buiten, buiten mijn lichaam bedoel ik, en maak er als een soort waakhond rondjes om, zodat ik zeker weet dat ‘het er mag zijn’. Ik ben constant publiek van mijn lichaam. (Ik geloof dat ik daarom lange tijd niet heb begrepen wat ‘geil’ was, omdat het in relatie tot vrouwen altijd over een uiterlijke toestand gaat. Ik wist niet goed hoe dat moest voelen, omdat ik vooral bezig was te begrijpen hoe geil eruit zag, wat voor mij lange tijd samenviel met wat het was. Ik wist niet dat je je ook geil kunt voelen, zonder dat je er geil uitziet.)

Ik weet niet wat ik uiteindelijk zei, toen hij vroeg hoe ik daar nou in stond. Volgens mij niks. (Achteraf bleek overigens ook dat hij niet echt wilde weten hoe ik erin stond, maar dat hij zelf een aantal aardige standpunten had klaarliggen, die hij vlekkeloos wist op te dissen. Ik zei natuurlijk niet dat als hij dit een interessant thema vond, ik nog wel een aardig boekje voor hem had dat hierover gaat, met de titel Men Explain Things to Me).

De antwoorden kwamen me pas binnenvallen toen ik naar huis liep, in mijn eentje. Dat ik niet weet hoe ik erin sta, maar dat ik me verheug op de dag dat ik een debat bijwoon en er vrouwen zijn die vragen stellen. Dat ik me verheug op de dag dat ik een vraag durf te stellen na een lezing en dat mijn hart niet zo tekeer gaat. Op de dag dat vrouwen hun zinnen niet meer beginnen met de woorden ‘waarschijnlijk ligt het aan mij, maar …’

73_dewit_Sean Yoro.jpg

Langzaam, heel langzaam begin ik te begrijpen dat ongelijkheid zich lichamelijk manifesteert. En mijn lichaam is zo privé, dat ik er nooit aan zou hebben gedacht dat hoe ik in mijn lichaam zit, hoe mijn lichaam voelt, hoe ik woon in het diepste van mezelf, een consequentie is van een maatschappelijke orde. De jure hebben we dezelfde rechten, maar de facto absoluut niet hetzelfde natuurlijke recht van bestaan, wat resulteert in fundamenteel andere lichamen.

Misschien gaat feminisme nog steeds over baas in eigen buik zijn, maar dan totaal anders. Over wanneer onze harten kloppen en hoe snel. Ik dacht namelijk echt altijd dat het aan mij lag. Ik lag aan mij. Mijn hart lag aan mij, schaamte aan mij, mijn zenuwen lagen aan mij.

Het is toch heel simpel: er moeten toch rolmodellen komen? Geen tijgervrouwen, maar gewoon vrouwen die even talentloos zijn als al die mannen in het bedrijf?

Toen er onlangs een artikel in De Standaard verscheen over quota, had ik daar een gesprek over met een man. Ik zei dat ik ‘extreem voor quota was’ en ik geloof dat het de eerste keer was in mijn leven dat ik ooit een bewering deed. Hij wist dat natuurlijk niet, maar het leek hem ook niet zo te deren. Hij leunde achterover en zei: ‘Ja God, die eeuwenoude discussies over quota.’

Ik zei tegen hem – waarschijnlijk met trillende stem – dat het toch niet zo’n eeuwenoude discussie was? ‘Dat die discussie toch nog maar even bezig was en als je dat beweert je gewoon deel van het probleem bent? Ik bedoel, door te suggereren dat er een eeuwenoude discussie is, suggereer je dat het een soort kip-ei-kwestie is. Zo van: “We zullen het nooit weten.” Het is toch geen theoretisch probleem? Het is toch heel simpel: er moeten toch rolmodellen komen? Geen tijgervrouwen, maar gewoon vrouwen die even talentloos zijn als al die mannen in het bedrijf? Die het evenveel en even weinig verdienen als de rest.’

Ik had me nog nooit zo scherp gevoeld. Hij ging natuurlijk zeggen: ‘O ja, inderdaad. Tering. Dat is natuurlijk het probleem. Dat ik doe alsof quota niet helpen door te suggereren dat het een eeuwenoude discussie is, terwijl twintig jaar nog maar het begin van het begin is.’ Maar dat deed hij niet. Hij haalde zijn schouders op. Zo stond hij erin.

73_dewit_muurschilder Sean Yoro tekent vrouwen aan het water.jpg

Soms vraag ik me af of ik – als ik terug zou gaan naar die rivier – ik meer op dat jongetje zou kunnen lijken. Of ik voorbij mijn eigen zelfbewustzijn kan komen, en mijn lichaam aan zou kunnen voelen als deeg, of tenminste als iets waarvan ik kan vergeten dat het een buitenkant heeft. Ik geloof het eigenlijk niet. Zoals ik ook niet denk dat we terug kunnen naar het moment voordat we het woord ‘ras’ in onze mond namen.

Ik geloof dat de andere kant alleen maar bereikbaar is als er genoeg mensen de moed hebben hun lichaam politiek te maken.

Ik geloof dat het te maken heeft met ‘ergens doorheen’. Naar een andere kant. En ik geloof dat die andere kant alleen maar bereikbaar is als er genoeg mensen de moed hebben hun lichaam politiek te maken. Mensen die de moed hebben om iets te zeggen over hoe de wereld zich in hun lichaam gemanifesteerd heeft. Mensen die de snelheid van hun hart – wanneer ze bijvoorbeeld een vraag durven te stellen of niet op staan voor een man in de bus – op tafel durven leggen en durven te denken dat die snelheid een collectieve verantwoordelijkheid is.

Ik stel me voor dat als genoeg mensen dat doen, er een soort van licht ontstaat. Zo sterk dat je een glimp van de overkant kunt zien. Een overkant die al eeuwen wacht, tot wij haar bereiken.

Rebekka de Wit is schrijfster en theatermaker bij De Nwe Tijd.